<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:5635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T09:55:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/4751</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5635">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T09:55:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:5635 Rechtbank Rotterdam , 05-07-2022 / ROT 21/4751</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:5635:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Te veel ontvangen ZW-uitkering. Eiser ontving op 3 maart 2020 een besluit waarin stond dat zijn recht op ZW-uitkering stopte per 8 mei 2020. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. Verweerder is verplicht om de te veel ontvangen uitkering terug te vorderen. Er is geen sprake van een dringende reden, dus er kan niet worden afgezien van terugvordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:5635:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/4751 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J. de Haan),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [naam 1]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het primaire besluit van 23 maart 2021 heeft verweerder bepaald dat eiser €18.925,84 aan ten onrechte uitbetaalde Ziektewet (ZW-)uitkering moet terugbetalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bestreden besluit van 28 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is [naam 2] verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek is ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of eiser een recht heeft (gehad) op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering, en zo ja, of deze uitkering kan worden verrekend met de te veel ontvangen ZW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 april 2022 heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 8 mei 2020 tot en met 7 augustus 2020 recht heeft gehad op een WW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hierop gereageerd op 5 en 11 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat partijen niet hebben aangegeven om op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten (met toepassing van de artikelen 8:64, vijfde lid en 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft zich ziekgemeld op 10 april 2019 waarna aan hem een ZW-uitkering is toegekend. Deze uitkering is bij besluit van 3 maart 2020 beëindigd per 8 mei 2020. In het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat over de periode van 8 mei 2020 tot en met 14 februari 2021 (gedeeltelijk) ten onrechte ZW-uitkering aan eiser is uitbetaald en dat om die reden bruto €18.925,84 wordt teruggevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft in het bestreden besluit bepaald dat eiser de te veel ontvangen uitkering moet terugbetalen, omdat hij had kunnen weten dat hij te veel uitkering ontving. Verweerder heeft verder geen dringende reden gezien om over te gaan tot verlaging van of het afzien van de terugvordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het beroep van eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	In beroep doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Naar aanleiding van het besluit van 3 maart 2020 heeft eiser contact opgenomen met verweerder, omdat hij van mening was dat hij nog steeds ziek was. Ondanks dit besluit mocht hij erop vertrouwen dat hij als nog niet hersteld was aangemerkt bij verweerder. Uit de combinatie van gedragingen van verweerder (het arbeidskundig rapport, het telefoongesprek met verweerder en het doorbetalen van de ZW-uitkering) kon eiser afleiden dat hij onveranderd recht had op een ZW-uitkering. Op 10 maart 2021 ontving eiser een brief dat zijn ZW-uitkering eindigt op 5 april 2021. Eiser betoogt verder dat hij te goeder trouw is, omdat verweerder na 3 maart 2020 is doorgegaan met de uitbetaling van eisers ZW-uitkering (nadat eiser contact heeft gehad met zijn fysiotherapeut en met verweerder). Eiser verzoekt om een belangenafweging te maken tussen eiser en andere zwaarwegende belangen en de fouten van verweerder niet aan eiser toe te rekenen. Daarnaast klaagt eiser over de niet-professionele houding van verweerder. Doordat eiser na meerdere verzoeken niet is beter gemeld heeft eiser in een zeer vervelende situatie gezeten. Zo ontving hij geen uitkering meer, kon hij geen aanspraak maken op loon en zich niet opnieuw ziekmelden bij zijn werkgever. Eiser doet verder een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel vanwege de door verweerder gemaakte fouten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht heeft bepaald dat de te veel uitbetaalde ZW-uitkering (over de periode van 8 mei 2020 tot en met 14 februari 2021) van eiser wordt teruggevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 33, eerste lid, in samenhang met artikel 30a, eerste lid onder b, van de ZW moet verweerder onverschuldigd uitbetaalde (ofwel te veel uitbetaalde) uitkering terugvorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder op grond van het bepaalde in het zesde lid van artikel 33 van de ZW besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het eiser duidelijk had kunnen zijn dat hij na 8 mei 2020 geen recht meer had op een ZW-uitkering. Dat volgt duidelijk uit het besluit van 3 maart 2020 dat eiser ontvangen heeft en waartegen hij geen bezwaar heeft gemaakt. Dat eiser niet kan worden verweten dat verweerder het ziekengeld onterecht heeft doorbetaald betekent niet dat verweerder de onverschuldigd betaalde uitkering niet kan terugvorderen.<footnote-ref linkend="_dda0ab9b-1284-4884-a529-e3996392f970" />Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder tijdens een telefoongesprek heeft aangegeven dat eiser onverminderd recht zou hebben op een ZW-uitkering. Dit volgt ook niet uit de stellingen van eiser dat verweerder in dat telefoongesprek heeft aangegeven dat “wat er na de eerstejaars ZW-beoordeling gebeurt, afhangt van of de ZW-uitkering stopt of doorloopt” aangezien eiser het besluit had gekregen dat zijn ZW-uitkering zou eindigen vanaf 8 mei 2020. Ook volgt dit niet uit het arbeidskundige rapport waarin vastgesteld wordt dat eiser op 7 april 2020 meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De brief van verweerder van 10 maart 2021, waarin staat dat de uitbetaling van eisers ZW-uitkering doorloopt tot en met 5 april 2021, kan niet leiden tot een andere conclusie. Deze brief is namelijk geruime tijd na de brief van 3 maart 2020 verstuurd waardoor dit bij eiser niet op een eerder moment tot verwarring heeft kunnen leiden. Op 18 maart 2021 heeft verweerder nogmaals laten weten dat eisers ZW-uitkering per 8 mei 2020 stopt. Van een situatie als aan de orde in een uitspraak, waar eiser naar verwijst<footnote-ref linkend="_005b6722-f7cb-4e19-a5ba-359d699cfb8f" />, is dan ook geen sprake. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. </para>
        <para>Verweerder is verplicht de teveel betaalde uitkering terug te vorderen en daarmee is het niet mogelijk om een belangenafweging te maken.<footnote-ref linkend="_b0a7d482-8c12-45a4-bff6-3304121b739a" /> Wel kan worden afgezien van terugvordering indien sprake is van een dringende reden. Een dringende reden kan slechts aan de orde zijn als de terugvordering voor een verzekerde zorgt voor onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Eiser heeft niet gesteld dat daarvan sprake is en dat is ook niet gebleken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>4. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht de te veel uitbetaalde ZW-uitkering van eiser terug heeft gevorderd. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee dus in stand.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>6. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Zoals uit de inleiding blijkt, is het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de mogelijkheid te geven te onderzoeken of eiser een recht op WW-uitkering heeft (gehad). In het besluit van 28 april 2022 heeft verweerder bepaald dat eiser recht heeft gehad op een WW-uitkering in de periode van 8 mei 2020 tot en met 7 augustus 2020. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld, nadat verweerder van eiser inkomstenopgaven heeft ontvangen. Zodra de hoogte van eisers WW-uitkering bekend is, wordt deze door verweerder verrekend met de teveel ontvangen ZW-uitkering van eiser waarna de terugvordering naar beneden kan worden bijgesteld. Aangezien deze besluitvorming nog moet plaatsvinden, kan deze niet betrokken worden in onderhavig beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_dda0ab9b-1284-4884-a529-e3996392f970" label="1">
    <para> Zie ook rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1801.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_005b6722-f7cb-4e19-a5ba-359d699cfb8f" label="2">
    <para> Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2021, </para>
    <para>ECLI:NL:CRVB:2021:3046.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0a7d482-8c12-45a4-bff6-3304121b739a" label="3">
    <para> Zie hiervoor een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1710.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>