<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:5192</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T09:39:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/3798 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5192">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5192</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T09:38:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:5192 Rechtbank Rotterdam , 30-06-2022 / ROT 21/3798 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:5192:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Er is geen sprake van een Awb-besluit. Opposant ontvangt afzonderlijk een (elektronisch) overzicht van de door verweerder gebruikte persoonsgegevens.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:5192:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/3798 V</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2022 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam opposant], te [woonplaats opposant], opposant.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen de brief van het College voor de Rechten van de Mens (verweerder) van 8 juni 2021 beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 18 februari 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 9 juni 2022 op zitting behandeld. Opposant is verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van het verzet</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beperkt de verzetrechter zich tot het verzet met zaaknummer ROT 21/3798.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft geconcludeerd dat zij niet mag oordelen over beslissingen die verweerder neemt op basis van de artikelen 10 tot en met 12 van de Wet College voor de rechten van de mens (Wcrm).</para>
    <para />
    <para>3. Opposant voert aan dat het voor hem niet duidelijk is waarom de twee beroepen (ROT 21/3797 en ROT 21/3798) samen zijn behandeld. Het beroep ROT 21/3797 betreft verzoekschriften die aan verweerder zijn voorgelegd terwijl het beroep ROT 21/3798 ziet op het gebruik van de rechten van opposant op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Opposant voert aan dat het bestuursrecht dient te worden gevolgd als hij zijn rechten op grond van de AVG wil uitoefenen.</para>
    <para />
    <para>4. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De verzetrechter overweegt dat de rechtbank terecht heeft kunnen oordelen dat zij niet bevoegd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In tegenstelling tot wat eerder misschien gesuggereerd is, is de brief van verweerder van 8 juni 2021 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aan te merken. Met deze brief is de rechtspositie van opposant niet veranderd, zodat er geen sprake van een rechtshandeling. In de brief is namelijk aan opposant medegedeeld dat verweerder – en niet opposant – verantwoordelijk is voor de verwerking van gegevens en daarmee bepaalt welke gegevens wel of niet worden verwerkt. Verweerder heeft verder aangegeven dat de procedure voor de inzage van persoonsgegevens wordt gewijzigd en dat gegevens op verzoek digitaal ter beschikking kunnen worden gesteld. Ten aanzien van het verzoek van opposant om een overzicht van de door verweerder gebruikte persoonsgegevens, heeft verweerder aangegeven dat opposant hiervan afzonderlijk een (elektronisch) overzicht kan verwachten. Verweerder heeft daarnaast toegelicht dat de teksten op de website zullen worden aangepast, nadat overleg met collega’s heeft plaatsgevonden. Ten slotte heeft verweerder aangekondigd later terug te komen op het verzoek van opposant tot betaling van een dwangsom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Omdat de brief van verweerder van 8 juni 2021 geen besluit is, was de rechtbank onbevoegd om het beroep hiertegen te behandelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. De verzetrechter ziet dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 februari 2022 is gedaan. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>