<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:5185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-07T13:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/6194</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5185">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-07T13:11:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:5185 Rechtbank Rotterdam , 29-06-2022 / ROT 21/6194</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:5185:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek om herziening opleggen boete vanwege niet tijdig inburgeren; 4:6 Awb-kader; geen nova; geen evidente onevenredigheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:5185:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/6194 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres], uit [woonplaats eiseres], eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verweerder)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.N.S. Slagter).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om herziening van het besluit van 8 april 2020 waarbij verweerder aan eiseres een boete van </para>
      <para>€ 250,- heeft opgelegd wegens het niet op tijd voldoen aan de inburgeringsplicht afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft nadere stukken ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft op 27 mei 2021 een verzoek om herziening van het besluit van 8 april 2020 ingediend. In dit besluit heeft verweerder een boete van € 250,- aan eiseres opgelegd, omdat zij volgens de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) niet tijdig heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Dit betekent volgens verweerder dat zij de lening, die zij bij DUO heeft afgesloten om te kunnen inburgeren, moet terugbetalen als zij klaar is met haar inburgeringstraject. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten van partijen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het verzoek om herziening daarom afgewezen. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres betoogt dat er wel sprake is van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb . Eiseres voert hiertoe aan dat verweerder bij het besluit van 8 april 2020 niet heeft onderkend dat de termijn om te kunnen inburgeren was doorgeschoven naar 10 augustus 2021. Eiseres is op 3 mei 2021 - dus vóór 10 augustus 2021 - ingeburgerd, dus in dit geval dient de lening te worden kwijtgescholden. </para>
    <parablock>
      <para>Daarnaast is het bestreden besluit evident onrechtmatig omdat eiseres de termijn om tijdig in te burgeren niet heeft overschreden. Verder heeft eiseres in de aanvullende gronden van 9 juni 2022 nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiseres is niet gebleken dat enig doel wordt gediend met het besluit dat zij de lening moet terugbetalen. </para>
      <para>Gelet op het voorgaande was er voldoende reden voor verweerder om aan het verzoek tot herziening tegemoet te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beoordeling door de rechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In de brief van 27 mei 2021 van eiseres staat bovenaan “bezwaarschrift dan wel verzoek tot herziening”. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 8 april 2020 en een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb om terug te komen van dat besluit. In deze procedure ligt uitsluitend het verzoek voor. Uitgangspunt is dat verweerder in het algemeen bevoegd is om een dergelijk verzoek inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er echter ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om herziening af te wijzen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het betoog van eiseres dat zij - mede op basis van verweerders brief van </para>
        <para>19 december 2019 - erop had mogen vertrouwen dat zij de lening niet hoefde terug te betalen als zij vóór of op 10 augustus 2021 zou zijn ingeburgerd en dat verweerder zich in het besluit van 8 april 2020 dus ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de lening niet wordt kwijtgescholden had eiseres eerder naar voren kunnen en dus moeten brengen, namelijk in de procedure gericht tegen het besluit van 8 april 2020. Dat eiseres tegen dit besluit te laat bezwaar heeft gemaakt, komt voor haar eigen rekening en risico. Er is dus geen sprake van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Wat eiseres heeft aangevoerd leidt ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Bij de beoordeling door de bestuursrechter of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het besluit van 8 april 2020 evident onredelijk of onjuist is. Met wat eiseres heeft aangevoerd, waaronder haar beroep op het evenredigheidsbeginsel, beoogt zij in feite een discussie over de juistheid van het besluit van 8 april 2020 te voeren. Daarvoor is in deze procedure geen plaats, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Zelfs als de inhoud van het besluit van 8 april 2020 mogelijk onjuist zou zijn, wil dat nog niet zeggen dat het evident onredelijk is dat verweerder het herzieningsverzoek heeft afgewezen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2055).  	</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond. </para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.  </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van </para>
        <para>P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2022. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>rechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>