<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:4814</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-20T10:13:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 22/2485</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4814">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4814</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-20T10:12:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:4814 Rechtbank Rotterdam , 20-06-2022 / ROT 22/2485</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:4814:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vovo; intrekking bijstandsuitkering omdat verzoekster teveel vermogen heeft; geen spoedeisend belang vanwege vermogen en getroffen betalingsregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:4814:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 22/2485</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. van der Ende),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Hielkema). </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop <?linebreak?></title>
    <para>Bij besluit van 12 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 18 januari 2021 ingetrokken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 18 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster een bijstandsuitkering voor een alleenstaande op grond van de Pw toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze bijstandsuitkering ingetrokken, omdat het vermogen van verzoekster volgens verweerder hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. Hiermee is verzoekster het niet eens. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is. Uit de overgelegde bankafschriften en de rapportage bestuursrechtelijk onderzoek van </para>
        <para>10 mei 2022 blijkt dat verzoekster over vermogen beschikt, dat zij voor haar levensonderhoud zou kunnen gebruiken. Op 31 maart 2022 beschikte verzoekster in ieder geval nog over een vermogen van ruim € 15.000,-. Verder heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat er inmiddels een betalingsregeling is getroffen en dat er maandelijks </para>
        <para>€ 700,- wordt afgelost. Gelet op deze omstandigheden kunnen er vraagtekens worden gezet bij het gestelde spoedeisende karakter van de gevraagde voorziening. </para>
        <para>Voor zover de mogelijkheid aan de orde is gesteld dat verzoekster het bedrag dat zij aan vermogen heeft kan gebruiken om af te lossen op de terugvordering die is ontstaan, zodat haar vermogen weer onder de vermogensgrens uitkomt, overweegt de voorzieningenrechter dat dit aspect van belang is in het kader van een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Verweerder heeft verzoekster geadviseerd een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering in te dienen. Het ligt op de weg van verzoekster om een nieuwe aanvraag in te dienen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is er sprake van een evidente onrechtmatigheid?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Nu geen sprake is van spoedeisend belang, kan het verzoek alleen worden toegewezen als het bestreden besluit volgens de voorzieningenrechter evident onrechtmatig is. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat zij er niet van op de hoogte was dat zij alle bewijsstukken met betrekking tot haar vermogen moest indienen omdat uitsluitend om bewijsstukken met betrekking tot de beëindiging van haar Ziektewetuitkering was verzocht, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Het is niet aannemelijk dat in het kader van de aanvraag voor een bijstandsuitkering niet om stukken over de vermogenspositie van verzoekster zou zijn verzocht. Het gaat hier immers om een aspect dat standaard aan bod komt bij een aanvraagprocedure. Verweerder heeft ter zitting gewezen op gedingstuk B 264 waaruit blijkt dat verzoekster bij haar aanvraag maar één bankrekeningnummer heeft opgegeven, terwijl zij meerdere bankrekeningen had. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. </para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van </para>
        <para>P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2022. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>voorzieningenrechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>