<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:44</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-31T15:43:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/2767</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:44">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:44</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-31T15:39:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:44 Rechtbank Rotterdam , 05-01-2022 / 20/2767</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:44:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden van verzet zijn ingediend, het verzuim niet binnen de gegeven termijn is hersteld en evenmin een verzoek om uitstel is ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:44:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 20/2767  V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2022 op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 april 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 3 maart 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 26 november 2021 op zitting behandeld. Opposante is verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 3 maart 2021 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan is het verzet gegrond en moet nader onderzoek plaatsvinden.</para>
    <para />
    <para>2. Alvorens tot beantwoording van voormelde vraag over te gaan dient de verzetrechter ambtshalve te toetsen of het verzetschrift voldoet aan de daaraan ingevolge de Awb te stellen eisen. </para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift onder andere de gronden van het beroep. Als dat niet het geval is, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Deze bepalingen zijn in artikel 8:55, tweede lid, van de Awb voor het indienen van een verzetschrift van overeenkomstige toepassing verklaard.</para>
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat opposante bij brief van 25 maart 2021 verzet heeft gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2021. In dit op 25 maart 2021 door de rechtbank ontvangen verzetschrift staat slechts vermeld dat opposante een verzoek wil indienen om haar brief mondeling toe te lichten, gezien het feit dat haar aanvraag meerdere keren is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorgaande niet worden aangemerkt als gronden die zijn gericht tegen de uitspraak waarvan verzet, zodat daarmee niet is voldaan aan de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen.</para>
    <para />
    <para>5. Bij aangetekend schrijven van 14 september 2021 is opposante erop gewezen dat de gronden van verzet nog moeten worden ingediend. Aan opposante is verzocht het verzuim te herstellen binnen twee weken na de datum van verzending van de brief. In de brief staat dat slechts in uitzonderlijke gevallen uitstel van deze termijn mogelijk is, waartoe vóór afloop van de termijn een gemotiveerd schriftelijk verzoek moet worden gedaan aan de rechtbank. Tevens is vermeld dat het verzet door de rechtbank niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet binnen de gegeven termijn aan het verzoek tot kenbaar maken van de gronden van verzet wordt voldaan. Uit de track en trace gegevens blijkt dat de aangetekende brief (met zendingsnummer [nummer]) op 15 september 2021 om 16:51 door opposante is afgehaald bij een PostNL punt, en dat zij daarvoor heeft getekend. </para>
    <para />
    <para>6. Vastgesteld moet worden dat opposante desondanks geen gronden van verzet heeft ingediend binnen de gegeven termijn. Evenmin is door opposante voor afloop van de termijn om uitstel gevraagd.</para>
    <para />
    <para>7. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.C.I. Kieviet, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>