<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:4398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-14T14:00:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9860054</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-07T15:52:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:4398 Rechtbank Rotterdam , 09-06-2022 / 9860054</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:4398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Huurrecht. Eiser stelt onderhuurder van ontruimde woning te zijn en wil toegang tot die woning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:4398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9860054 VV EXPL 22-187</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 9 juni 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats eiseres],</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.J. Michielsen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting IMMO Huurwoningfonds Nederland</emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: Eindhoven, </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.A. van Emden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘IMMO’ genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
        <para>- de dagvaarding van 23 mei 2022, met bijlagen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 2 juni 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. De gemachtigde van IMMO heeft bij die gelegenheid een pleitnota ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt met [naam] een onderhuurovereenkomst te hebben voor de woning aan de [adres]. [naam] huurde deze woning van IMMO. IMMO heeft de ‘hoofdhuurovereenkomst’ met [naam] laten ontbinden en heeft de woning ontruimd. Deze ontruiming is volgens [eiseres] in strijd met de rechten die zij op grond van de onderhuurovereenkomst heeft. Zij vordert daarom IMMO te gebieden haar onmiddellijk toegang te verschaffen tot de woning aan de [adres], met een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat IMMO niet aan deze veroordeling voldoet, en met veroordeling van IMMO in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>IMMO voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Als dit voor de beoordeling van belang is, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [eiseres] haar vordering en IMMO haar verweer onderbouwt.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Als een onderhuurder meent rechten aan een onderhuurovereenkomst te kunnen ontlenen en de verhuurder schendt die rechten door de woning te ontruimen, heeft in dit geval [eiseres] er een spoedeisend belang bij dit door een rechter te laten beoordelen. De kantonrechter kan de vordering van [eiseres] daarom in behandeling nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Prinsenlaan 761</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert IMMO te gebieden haar onmiddellijk toegang te verschaffen tot de woning aan de [adres]. IMMO heeft op de mondelinge behandeling van de zaak verklaard dat zij deze woning per 4 maart 2022 aan een nieuwe huurder heeft verhuurd. [eiseres] trekt de juistheid van deze stelling niet in twijfel. IMMO kan een eventuele veroordeling in deze zaak dus niet uitvoeren. Zij heeft immers niet het recht de nieuwe huurder er weer uit te zetten omdat [eiseres] weer in de woning wil. Alleen om die reden al is de vordering van [eiseres] niet toewijsbaar. Als sprake is van een onrechtmatige ontruiming heeft [eiseres] mogelijk recht op een schadevergoeding als zij geen toegang meer krijgt tot de woning, maar een schadevergoeding is in dit kort geding niet aan de orde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Ook als IMMO feitelijk wel de mogelijkheid zou hebben [eiseres] weer toegang tot [adres] te geven, zou de vordering van [eiseres] niet toewijsbaar zijn. Om die vordering toe te kunnen wijzen, moet namelijk aannemelijk zijn dat de vordering in een zogenoemde bodemprocedure toegewezen zal worden. Dat is op grond van wat nu naar voren is gebracht echter niet het geval. [eiseres] brengt weliswaar een (incomplete) onderhuurovereenkomst tussen haar en [naam] in het geding, waaruit volgens haar de conclusie getrokken kan worden dat zij officieel een onderhuurovereenkomst en de daarbij horende rechten heeft, maar IMMO trekt de authenticiteit van deze onderhuurovereenkomst in twijfel. Er zijn ook wel vragen te stellen over de totstandkoming van deze overeenkomst destijds. Want als [eiseres] sinds juni 2018 onderhuurder is, waarom is in december 2018 dan door [eiseres] een verzoek om medehuurderschap gedaan? Dat is immers onweersproken gesteld door IMMO. En waar woonde [naam] dan sinds juni 2018? En waaruit blijkt dat [eiseres] daadwerkelijk huur aan [naam] betaalde? [eiseres] bleef hier vaag over op de mondelinge behandeling van de zaak. Daar komt nog bij dat de verklaring die [eiseres] onder nummer 8 van haar dagvaarding geeft voor het feit dat zij in de Basisregistratie Personen sinds december 2021 op een ander adres ingeschreven staat dan op het adres [adres], zonder nadere toelichting en stukken, die ontbreken, ook niet overtuigend is. Om welke slapende BV’s gaat het bijvoorbeeld en waar blijkt uit dat de Kamer van Koophandel dit zo wil? Kortom, de vordering wordt afgewezen omdat IMMO niet in staat is de woning aan [eiseres] ter beschikking te stellen, maar ook als dit wel zo zou zijn, is in deze zaak niet duidelijk genoeg geworden dat [eiseres] daadwerkelijk rechten als onderhuurder heeft wat [adres] betreft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] krijgt ongelijk in deze zaak en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van IMMO tot vandaag vast op € 498,00 aan salaris voor haar gemachtigde.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst de vordering van [eiseres] af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de kant van IMMO tot vandaag vastgesteld op € 498,00.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>686</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>