<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:4301</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-02T12:56:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/5945</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4301">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:4301</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-02T12:54:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:4301 Rechtbank Rotterdam , 22-04-2022 / ROT 21/5945</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:4301:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet-ontvankelijk. Eiseres heeft geen belang bij meer bij een oordeel over het bestreden besluit nu verweerder geheel aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:4301:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/5945 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 21 september 2021 (primair besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) opgeschort met ingang van 17 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 16 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 3 februari 2022 (toekenningsbesluit) heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 1 september 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep mede betrekking op het toekenningsbesluit.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2022 via een videoverbinding op een zitting behandeld. Eiseres is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en vervolgens per brief van 16 maart 2022 aan eiseres de vraag voorgelegd of zij een nadere zitting wenselijk acht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 maart 2022 heeft eiseres te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres ontvangt met ingang van 6 april 2021 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand heeft verweerder bij brief van 3 september 2021 eiseres verzocht om voor 17 september 2021 een aantal stukken toe te sturen. Eiseres heeft deze stukken niet toegestuurd. Hierop heeft verweerder met het primaire besluit eiseres’ recht op bijstand opgeschort en aan haar een hersteltermijn geboden om alsnog aan het verzoek van verweerder te voldoen. Eiseres diende de gevraagde stukken voor 27 september 2021 te verstrekken. Ook aan dit verzoek heeft eiseres niet voldaan. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 28 september 2021 eiseres’ recht op bijstand met ingang van 17 september 2021 ingetrokken. Na een nieuwe aanvraag van eiseres heeft verweerder bij besluit van 8 november 2021 opnieuw een bijstandsuitkering toegekend aan eiseres met ingang van de aanvraagdatum, zijnde 25 oktober 2021.</para>
    <para />
    <para>2. Aan het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, legt verweerder ten grondslag dat eiseres de gevraagde gegevens verwijtbaar niet tijdig heeft verstrekt. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres voert in beroep onder meer aan dat Nederland misdaden jegens haar en haar overleden dochter heeft gepleegd, dat zij langdurig heeft geleefd onder het wettelijke bestaansminimum en dat zij vanaf maart 2021 geen werk meer heeft gehad. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat het toekenningsbesluit betrekking heeft op eiseres’ recht op bijstand in de periode vanaf 17 september 2021. Het toekenningsbesluit houdt in dat aan eiseres niet per 25 oktober 2021 bijstand wordt toegekend, maar per 1 september 2021. Dit betekent dat eiseres’ recht op bijstand met terugwerkende kracht onafgebroken is doorgelopen en dus dat verweerder geheel aan de bezwaren van eiseres is tegemoetgekomen. Hieruit volgt dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank merkt nog het volgende op. Eiseres heeft aan de rechtbank diverse brieven en stukken toegezonden waarin zij klachten over verweerder en andere overheidsinstanties uit die geen betrekking hebben op het bestreden besluit. Deze klachten vallen buiten het bestek van deze procedure en de rechtbank zal deze dan ook niet bespreken of beoordelen. </para>
      <para />
      <para>5. Er is geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, nu niet gebleken is dat het primaire besluit is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Niet gebleken is dat eiseres in beroep voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.</para>
      <para />
      <para>6. Nu verweerder aan de bezwaren van eiseres is tegemoetgekomen, dient verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- aan haar te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. Z. Türk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is buiten staat</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>