<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:3644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-13T11:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9590243 \ CV EXPL  21-5384</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:3644">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:3644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-13T11:10:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:3644 Rechtbank Rotterdam , 28-04-2022 / 9590243 \ CV EXPL  21-5384</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:3644:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedaagde partij heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet onderbouwd dat hij de facturen betaald heeft. Vordering toegewezen. Toepassing artikel 6:44 lid 1 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:3644:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9590243 \ CV EXPL  21-5384</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 28 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de naamloze vennootschap</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Siemens Nederland N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Den Haag,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V., </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, h.o.d.n. [handelsnaam],</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als “Siemens” en “[gedaagde]”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 14 december 2021, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aantekeningen van de griffier van 20 januari 2022 van het mondelinge antwoord van [gedaagde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis van 17 februari 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van Siemens van 17 maart 2022 met productie 3.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Namens de gemachtigde van Siemens is [naam] verschenen. [gedaagde] is, zonder bericht, niet verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Siemens heeft gesteld dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten om in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diverse beveiligingsdiensten te leveren (de doormelding naar de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond). Op grond hiervan heeft Siemens voor de jaren 2019, 2020 en 2021 en voor meerdere objecten van [gedaagde] diverse facturen verzonden voor een totaalbedrag van € 5.709,84. [gedaagde] heeft deze facturen behouden en niet betaald.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Siemens heeft in de dagvaarding op grond hiervan gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Siemens te betalen € 5.709,84 aan hoofdsom, € 571,70 aan wettelijke handelsrente tot en met 3 december 2021 en € 660,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 5.709,84 vanaf 4 december 2021 tot aan de dag van algehele voldoening. Tevens heeft Siemens gevorderd [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft Siemens haar eis met € 1.228,95 verminderd, omdat [gedaagde] dit bedrag op 23 maart 2022 heeft betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de vordering betwist en zich op het standpunt gesteld dat hij alle facturen van Siemens heeft betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft op de rolzitting van 20 januari 2022 mondeling verweer gevoerd en gesteld dat hij de facturen betaald heeft. Hij is toen in de gelegenheid gesteld om voor de rolzitting van 17 februari 2022 zijn verweer op schrift te stellen en betalingsbewijzen van de door hem gestelde betalingen over te leggen. [gedaagde] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Evenmin is [gedaagde] op de mondelinge behandeling van 31 maart 2022 verschenen. [gedaagde] heeft daarom niet onderbouwd dat hij de openstaande facturen ten bedrage van € 5.709,84 heeft betaald. Omdat [gedaagde] de vordering van Siemens verder niet heeft betwist, zal de door Siemens gevorderde hoofdsom ten bedrage van € 5.709,84 worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zijn als onbetwist en op de wet gegrond eveneens toewijsbaar. Siemens heeft tijdens de zitting echter gesteld dat [gedaagde] op 23 maart 2022 een bedrag van € 1.228,95 heeft betaald en zij op grond van artikel 6:44 lid 1 BW eerst de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en vervolgens de verschenen wettelijke handelsrente hiermee vermindert. Door deze eisvermindering is wat deze posten betreft nog toewijsbaar de gevorderde wettelijke handelsrente tot een bedrag van € 3,24 alsmede de (toekomstige) wettelijke handelsrente vanaf 4 december 2021 tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld om deze aan Siemens te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Siemens tegen kwijting te betalen € 5.709,84 aan hoofdsom en € 3,24 aan wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 5.709,84 vanaf 4 december 2021 tot aan de dag van algehele voldoening; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Siemens vastgesteld op € 507,- aan griffierecht, € 107,01 aan dagvaardingskosten en € 622,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten met een waarde van € 311,- per punt);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>31688</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>