<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-24T14:00:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/6369</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-20T12:08:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:311 Rechtbank Rotterdam , 20-01-2022 / ROT 21/6369</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verweerder heeft deze aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat de aanvraag dan zal worden afgewezen, omdat er onduidelijkheid bestaat over de feitelijke woonsituatie. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeksters woonsituatie inderdaad onduidelijk is. Zo heeft verzoekster verklaringen afgelegd over de vader van haar kinderen die niet kloppen met waarnemingen die door verweerder zijn verricht. De stelling van verzoekster dat er sprake was van communicatieproblemen wordt niet gevolgd. Voor de voorzieningenrechter staat nog niet vast dat verzoekster recht heeft op een uitkering. Het verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/6369</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het Drechtstedenbestuur, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]). </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 20 december 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2022 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig verzoekster, haar gemachtigde, haar broer [naam 3] (die voor haar tolkte in het Kurmanji) en de gemachtigde van verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Achtergrondinformatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Verzoekster heeft twee kinderen met [naam 4]. Zij had een bijstandsuitkering, maar die is in maart 2021 ingetrokken omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam 4]. Verzoekster heeft in september 2021 een bijstandsuitkering aangevraagd, omdat de relatie zou zijn verbroken en [naam 4] niet langer op haar adres zou verblijven. Die aanvraag is afgewezen, omdat verzoekster geen uitleg kon geven over de herkomst van bepaalde kasstortingen op haar bankrekening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Nieuwe aanvraag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verzoekster heeft op 12 november 2021 een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verzoekster wordt bij deze aanvraag bijgestaan door [naam 5] van het sociaal wijkteam.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Verweerder heeft in de periode van 23 november 2021 tot en met 9 december 2021 waarnemingen verricht bij de woning van verzoekster. Op zeven dagen is gezien dat [naam 4] de woning van verzoekster vroeg in de ochtend (rond 6.00 uur) verlaat. Verweerder heeft op 9 december 2021 een huisbezoek afgelegd in de woning van verzoekster. Ook zou verzoekster een uitleg hebben gekregen over de situatie en wat de gevolgen zouden zijn als zij haar aanvraag wil doorzetten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Verweerder heeft op 9 december 2021 gesproken met [naam 5] over de afhandeling van de aanvraag. Hij heeft aangegeven dat verzoekster die dag nog een uitnodiging zou krijgen voor een gesprek op 15 december 2021. In dit gesprek kan verzoekster haar besluit doorgeven. Verweerder heeft de uitnodiging voor dit gesprek op 9 december 2021 bij verzoekster in de brievenbus gedaan. In die uitnodiging staat dat als verzoekster niet naar het gesprek komt en zich niet afmeldt, verweerder ervan uitgaat dat zij geen uitkering meer nodig heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Waar gaat het in deze zaak om?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat verzoekster niet is verschenen op het gesprek van 15 december 2021 en zich ook niet heeft afgemeld. Verweerder gaat er daarom van uit dat verzoekster de uitkering niet meer nodig heeft. Verzoekster is het er niet mee eens dat verweerder de aanvraag niet in behandeling heeft genomen. Zij wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar voorschotten worden verstrekt, in ieder geval totdat verweerder heeft beslist is op haar bezwaarschrift.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoekster kans van slagen heeft. Zij geeft daarbij een voorlopig oordeel over deze zaak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Verweerder kan besluiten om de aanvraag niet in behandeling te nemen als de door verzoekster verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking<footnote-ref linkend="_685c5f57-04e2-4ac9-b729-2b497e4b516a" />. In het besluit van 20 december 2021 staat weliswaar dat verweerder nog niet over voldoende gegevens beschikte, maar feitelijk wilde verweerder alleen nog maar weten of verzoekster haar aanvraag wilde doorzetten of niet.  Enkel dat punt vergde nog een toelichting van verzoekster. Verweerder beschikte al over alle nodige feitelijke informatie. Verweerder was daarom niet bevoegd om de aanvraag van verzoekster niet in behandeling te nemen<footnote-ref linkend="_e3d0a537-a0ca-4f81-a5ed-5633cd97f9c1" />.  </para>
      <para />
      <para>6. Hierdoor komt de vraag op of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift.</para>
      <para />
      <para>7. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat hij de keuze had tussen de aanvraag niet in behandeling nemen en de aanvraag afwijzen. Volgens verweerder is niet gekozen voor afwijzing van de aanvraag in het belang van verzoekster en [naam 4]. Verweerder heeft het idee dat verzoekster en [naam 4] hebben gekozen voor een constructie waarbij zij op papier niet samenwonen, met als doel om allebei een eigen inkomen te verkrijgen, zodat [naam 4] sneller uit de schulden kan komen met dit extra (gezins)inkomen. Verweerder heeft tijdens de zitting gezegd dat hij het gezin graag wil helpen om uit de schulden te komen, met hulp van het sociaal wijkteam. Als verzoekster deze aanvraag zou doorzetten, dan zag verweerder geen andere mogelijkheid dan de sociale recherche erbij te betrekken om de feitelijke woonsituatie van verzoekster nader te onderzoeken. Volgens verweerder heeft hij deze stap in het belang van verzoekster (nog) niet willen zetten en is er daarom gekozen voor de minst belastende, maar juridisch dus onjuiste optie. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld hij de aanvraag zal afwijzen als het besluit van 20 december 2021 geen stand houdt.</para>
      <para />
      <para>8. De voorzieningenrechter vindt dat er onduidelijkheid bestaat over de feitelijke woonsituatie van verzoekster. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zo heeft verzoekster tijdens een ‘poortgesprek’ met verweerder op 29 november 2021 verklaard dat [naam 4] niet bij haar woont, dat hij slechts één keer per maand op bezoek komt voor de kinderen en dat hij nooit blijft slapen. Vervolgens heeft verzoekster verklaard dat zij hem niet wil zien en dat hij misschien de kinderen bezoekt bij haar moeder. Dit verhoudt zich niet met de waarnemingen die zijn verricht in de periode van 23 november 2021 tot en met 9 december 2021, waarbij op zeven dagen is gezien dat [naam 4] ’s ochtends vroeg de woning van verzoekster verlaat om naar zijn werk te gaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat dit poortgesprek heeft plaatsgevonden met behulp van iemand die in het Arabisch met haar sprak. Volgens verzoekster is zij het Arabisch niet goed machtig. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat er op die dag uitgebreid met verzoekster is gesproken. Weliswaar heeft verweerder aangegeven dat verzoekster niet direct antwoord geeft op de gestelde vragen en dat vragen meerdere keren herhaald moesten worden, maar uit de verslaglegging blijkt niet dat verzoekster onvoldoende in het Arabisch kan communiceren. Haar verklaringen zijn namelijk vrij uitgebreid en gedetailleerd. Voor zover verzoekster tijdens de zitting nog heeft geopperd dat sommige dingen door [naam 5] zijn gezegd, overweegt de voorzieningenrechter dat de opmerkingen vanuit het sociaal wijkteam apart zijn genoteerd. Dat verweerder dingen die [naam 5] heeft gezegd heeft genoteerd als verklaring van verzoekster, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat [naam 4] in ploegendienst werkt; in de ene week werkt hij in de ochtend van 6 tot 12 uur en in de andere week werkt hij in de avond van half 3 tot 12 uur. In de weken dat hij ochtenddienst heeft, komt hij vaak ’s ochtends voordat hij naar zijn werk gaat even bij de kinderen kijken, aldus verzoekster. Hij kondigt zijn bezoek dan van tevoren aan via een Whatsapp- of SMS-bericht. Dit betekent dat [naam 4] dus zijn kinderen zou bezoeken vóór 6 uur ’s ochtends. De voorzieningenrechter plaatst vraagtekens bij deze verklaring van verzoekster, omdat dit een tijdstip is waarop verzoekster en de kinderen waarschijnlijk liggen te slapen en een bezoekje aan de kinderen daarom niet voor de hand ligt. Bovendien komt deze verklaring ook niet overeen met wat zij eerder tijdens het poortgesprek heeft verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Omdat de woonsituatie van verzoekster op dit moment nog onduidelijk is, onder meer vanwege de wisselende verklaringen die verzoekster op dit punt heeft afgelegd, staat voor de voorzieningenrechter nog niet vast dat verzoekster recht heeft op een bijstandsuitkering. Er bestaat daarom geen aanleiding om aan verzoekster voorschotten te verstrekken in afwachting van de beslissing op haar bezwaarschrift.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.</para>
      <para />
      <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_685c5f57-04e2-4ac9-b729-2b497e4b516a" label="1">
    <para> Zie artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3d0a537-a0ca-4f81-a5ed-5633cd97f9c1" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:20.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>