<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:2610</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T11:00:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/633981 / KG ZA 22-141</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2610">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2610</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T10:58:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:2610 Rechtbank Rotterdam , 23-03-2022 / C/10/633981 / KG ZA 22-141</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:2610:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Kort geding. Vordering tot nakoming van huurovereenkomst na ontruiming woning.</para>
        <para>Aannemelijk is dat gedaagde de beheerder is en niet de verhuurder. De vordering wordt afgewezen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:2610:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b2194e7b-a6d4-466b-8af6-def2bb45bb38" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c73bbc1f-9215-4b1d-8645-7d59d35eb480" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/633981 / KG ZA 22-141</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 23 maart 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. M. Sculic te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [gedaagde]
      </para>
      <para>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>vertegenwoordigd door de eigenaar [persoon A] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 1 maart 2022 met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling op 9 maart 2022. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] bewoonde de (huur)woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna ook: de woning). In 2018 woonde hij in die woning in bij de heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] betaalde maandelijks huurpenningen voor de woning aan [gedaagde] , in ieder geval vanaf het jaar 2020 tot en met november 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 8 juni 2021 is een verhuurdersverklaring afgegeven op briefpapier van [gedaagde] , waarin staat dat [eiser] sinds 21 november 2018 huurder is van de woning aan de [adres] te Rotterdam. In de verhuurdersverklaring is als naam van de verhuurder ingevuld “ [bedrijf A] / [gedaagde] ”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij vonnis van 15 juni 2021 heeft de kantonrechter een verstekvonnis gewezen in een procedure tussen [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) als eiseres en [persoon B] als gedaagde. Op vordering van [bedrijf A] is de huurovereenkomst tussen [bedrijf A] en [persoon B] met betrekking tot de woning  ontbonden en [persoon B] veroordeeld de woning te ontruimen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Begin december 2021 is de woning ontruimd. Daarbij zijn de sloten van de woning vervangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De spullen die zich vóór de ontruiming in de woning bevonden zijn opgeslagen in een loods. Voor het vrijgeven van de spullen heeft [eiser] een bedrag van </para>
        <para>€ 600,00 betaald op de derdengeldenrekening van [nnaam advocatenkantoor] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3.</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. [gedaagde] te veroordelen de huurovereenkomst na te komen door het woongenot te verstrekken, primair van de woning aan het adres te [postcode] Rotterdam aan de [adres] , dan wel subsidiair een vergelijkbare woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        <para>II. [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 600,00;</para>
        <para>een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Aan zijn vordering onder I legt [eiser] ten grondslag dat er een huurovereenkomst bestaat tussen partijen met betrekking tot de woning. [gedaagde] heeft dit betwist. Zij stelt dat zij überhaupt geen woningen in eigendom heeft, maar als beheerder optreedt van huurwoningen waarvan [bedrijf A] de eigenaar is. Volgens [gedaagde] geldt dit ook voor de woning aan de [adres] waar [eiser] heeft gewoond en heeft [eiser] nooit een huurovereenkomst gehad met betrekking tot de woning met [bedrijf A] (via [gedaagde] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Niet in geschil is dat tussen partijen geen schriftelijke huurovereenkomst bestaat.</para>
        <para>
          [eiser] stelt dat het bestaan van de door [gedaagde] afgegeven verhuurdersverklaring, waarin is opgenomen dat [eiser] huurder van de woning is sinds 21 november 2018, én het feit dat [eiser] de huurpenningen betaalde aan [gedaagde] dienen als bewijs voor het bestaan van een huurovereenkomst tussen partijen. Ten aanzien van de verhuurdersverklaring heeft [gedaagde] verklaard dat deze slechts is afgegeven op verzoek van [eiser] om hem te helpen, omdat hij tegenover een medewerker van [gedaagde] had verklaard deze nodig te hebben om aan een andere woning te komen én dat deze verhuurdersverklaring eigenlijk niet afgegeven had mogen worden. Wat betreft de betaalbewijzen heeft [gedaagde] gesteld dat als onderdeel van haar rol van beheerder zij de huurpenningen int voor [bedrijf A] , maar dus niet als eigenaar of verhuurder. Deze stellingen heeft [eiser] niet betwist. Hiermee heeft [eiser] ook niet (gemotiveerd) betwist dat [gedaagde] slechts als beheerder optreedt voor woningen van [bedrijf A] en niet de eigenaar of verhuurder van huurwoningen is. </para>
        <para>Bovendien strookt de stelling van [gedaagde] dat zij slechts de beheerder is en [bedrijf A] de eigenaar én de verhuurder is van de woning met het vonnis waarin de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning tussen [bedrijf A] en [persoon B] heeft ontbonden en de ontruiming van de woning op vordering van [bedrijf A] heeft toegewezen. </para>
        <para>Dit leidt tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat (in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat) [gedaagde] als verhuurder van de woning en contractspartij van [eiser] beschouwd moet worden. Daarmee bestaat er geen  grondslag voor toewijzing van de primaire vordering of de subsidiaire vordering onder I. </para>
        <para>De vordering tot het opleggen van een dwangsom deelt in het lot van afwijzing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Aan zijn vordering onder II heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de woning ten aanzien van [eiser] te ontruimen en dat hij daardoor schade heeft geleden (artikel 6:162 BW). Met betrekking tot deze vordering wordt als volgt overwogen. Het ontruimingsvonnis dat heeft geleid tot de ontruiming van de woning is gewezen tussen [bedrijf A] en  [persoon B] . De ontruiming moet dan ook in opdracht van  / op titel van [bedrijf A] hebben plaatsgevonden. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] hiermee iets van doen heeft gehad. Hiermee acht de voorzieningenrechter ook voor de schadevergoedingsvordering geen grondslag aanwezig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 676,00 aan griffierecht.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5.</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 676,00.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2022.</para>
        <para>2247/2009</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>