<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:2472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-05T14:10:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">KTN-9486080_24032022</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2472">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-05T14:08:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:2472 Rechtbank Rotterdam , 24-03-2022 / KTN-9486080_24032022</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:2472:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>nakoming; erkenning</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:2472:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 9486080 \ CV EXPL  21-4309</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 24 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiser] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: Rijnland Gerechtsdeurwaarders &amp; Incasso,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, h.o.d.n. [naam bedrijf] ,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.F. van Drenth.<?linebreak?></para>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het exploot van dagvaarding van 5 oktober 2021, met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis van 16 december 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de aantekening dat op 4 februari 2022 de mondelinge behandeling is gehouden, waarbij mr. Van Drenth met en [gedaagde] zonder bericht van verhindering niet is verschenen, maar wel per telefoon vragen van de kantonrechter heeft beantwoord;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de akte uitlating van de zijde van [eiser] . <?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De vordering, de grondslag en het verweer</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [eiser] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van in totaal € 1.851,71 – zijnde € 5.217,- aan hoofdsom, € 93,86 aan tot aan de datum van dagvaarding verschenen rente en € 650,85 aan buitengerechtelijke kosten, waarop een betaling van € 4.110,- in mindering is gebracht – te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, een en ander een bedrag van € 25.000,- niet te boven gaand, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht, zodat [gedaagde] uit hoofde van de tussen partijen bestaande overeenkomst van opdracht de in dit kader verzonden facturen dient te vergoeden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beoordeling van het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [gedaagde] is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen, maar hij heeft aan de kantonrechter desgevraagd per telefoon meegedeeld dat hij kort voorafgaand aan de zitting een betaling heeft verricht van € 1.814,64 omdat hij van de zaak af wilde zijn en dat hij contact heeft opgenomen met de gemachtigde van [eiser] die hem heeft gezegd dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoefde te vinden.<?linebreak?> heeft betwist dat aan [gedaagde] zou zijn bericht dat de mondelinge behandeling niet door zou gaan. Hij heeft wel erkend het bedrag van € 1.814,64 te hebben ontvangen, maar stelt dat dit niet het volledige openstaande bedrag betreft en dat ook de kosten niet zijn voldaan.<?linebreak?> heeft vervolgens toegezegd om binnen twee weken alsnog het bedrag van € 766,38 – zijnde € 50,23 aan restant hoofdsom, € 240,- aan griffierecht, € 102,15 aan dagvaardingskosten en € 374,- aan gemachtigdensalaris – aan [eiser] te voldoen. Bij akte van 21 februari 2022 heeft [eiser] de kantonrechter bericht dat het bedrag niet is ontvangen en heeft [eiser] de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Uit het niet verschijnen ter zitting en zijn uitlating tijdens het telefoongesprek met de kantonrechter dat hij het volledige openstaande bedrag inclusief kosten van € 766,38 zou voldoen, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] ervoor heeft gekozen niet langer inhoudelijk verweer te voeren tegen de vordering. Aangezien de betaling niet is verricht, zal het onbetwist thans nog openstaande bedrag van € 50,23 aan hoofdsom worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De onweersproken gebleven handelsrente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze als in het dictum weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.851,71 vanaf de dag van dagvaarding tot 4 februari 2022 en over een bedrag van € 50,23 vanaf 4 februari 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;<?linebreak?></para>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 342,15 aan verschotten en € 374,- aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, en wijst af het méér of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>590</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>