<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:2206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T11:24:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT RK 22-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=1&amp;g=2005-12-01">Faillissementswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2022-0104</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:2206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-25T13:02:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:2206 Rechtbank Rotterdam , 22-03-2022 / FT RK 22-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:2206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>faillietverklaring. Ontwikkeling product nog niet gereed. Het enkele feit dat verweerster stelt dat het vooruitzicht bestaat dat haar product (dat zij ontwikkelt voor verzoekster) medio zomer 2022 gereed komt, niet de conclusie rechtvaardigen dat verzoekster geen redelijk belang heeft bij de faillissementsaanvraag. Verweerster is immers geruime tijd door verzoekster in de gelegenheid gesteld een betalingsregeling te treffen en is eerdere betalingstoezeggingen niet nagekomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:2206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Insolventienummer: [nummer]</para>
      <para>Uitspraak: 22 maart 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS op het op 14 januari 2022 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">VAN DER BURG PARTS B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te Woudenberg,</para>
      <para>aldaar kantoorhoudende aan de Klein Landaas 7,</para>
      <para>te dezer zake domicilie kiezende aan de Keesomstraat 42A,</para>
      <para>6716 AB te Ede,</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>advocaat: mr. A. Heijink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot faillietverklaring van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">H.S.S. HOLLAND SAFETY SYSTEMS B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te Dordrecht,</para>
      <para>kantoorhoudende aan de Dubbeldamseweg Zuid 362,</para>
      <para>3312 KT te Dordrecht,</para>
      <para>verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Coronacrisis (hierna: TARIC), verzoekster en verweerster op 14 januari 2021 schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 1 februari 2022 onder toezending van een formulier waarop verzoekster en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft bij e-mailbericht van 31 januari 2022 aan de rechtbank een verweer toegezonden met bijvoeging van het telefoonnummer voor de zitting conform TARIC.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling is op de verzoeken van verzoekster van 31 januari 2022, 14 februari 2022 en 28 februari 2022 aangehouden tot 15 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft bij e-mailberichten van 10 maart 2022, 11 maart 2022 en 14 maart 2022 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden. Bij laatstgenoemd e-mailbericht, dat tevens aan verweerster is toegezonden, heeft verzoekster het TARIC-formulier verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 15 maart 2022 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:</para>
    </parablock>
    <para>- mr. A. Heijink, advocaat van verzoekster,</para>
    <para>- de heer [naam] , middellijk bestuurder van verweerster.</para>
    <para>De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Standpunten van partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft gesteld dat zij in 2016 aan verweerster een geldlening heeft verstrekt (van in totaal € 109.819,60) ten behoeve van de productie van een door verweerster te ontwikkelen dode-hoek-veiligheidssysteem. De lening zou uiterlijk 27 februari 2017 worden terugbetaald als het project niet zou slagen. Het project is niet geslaagd, althans daarvan is verzoekster niet gebleken. Hoewel verweerster meerdere betalingstoezeggingen aan verzoekster heeft gedaan, is betaling tot op heden in het geheel uitgebleven. Verzoekster heeft thans een opeisbare vordering op verweerster van € 113.848,42, exclusief de kosten voor de faillissementsaanvraag. Verzoekster stelt geen vertrouwen meer te hebben in de toezeggingen van verweerster, nu er na langere tijd nog steeds geen concreet zicht is op betaling en er geen zekerheden worden verstrekt. De steunvordering bestaat uit een vordering van de Belastingdienst van circa € 50.000,-, op grond waarvan de Belastingdienst - blijkens een uittreksel uit het Kadaster - executoriaal beslag heeft gelegd op het pand van de heer [naam] . Daarnaast heeft verweerster meerdere schulden, zoals blijkt uit een gedeponeerde jaarrekening van 2014. Verweerster verkeert, aldus verzoekster, in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Verzoekster persisteert derhalve in haar verzoek tot faillietverklaring. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft het volgende aangevoerd. Zij betwist het vorderingsrecht van verzoekster en de steunvordering van de Belastingdienst niet. Wel betwist zij het bestaan van meerdere overige schulden. Verweerster is bij de ontwikkeling van het systeem ter bestrijding van dode-hoek-ongelukken uitgegaan van het door verzoekster geschonken vertrouwen om die ontwikkeling tot een goed einde te kunnen brengen. Dat een en ander langer op zich heeft laten wachten, is niet aan verweerster te wijten. Zo waren er tegenslagen vanwege de corona-omstandigheden en uitblijvende leveringen van onderdelen door toeleveranciers. Het indienen van een faillissementsaanvraag is een te zwaar middel, nu de verstrekte lening essentieel is voor de continuïteit van de productontwikkeling, temeer nu verweerster verwacht dat het product medio zomer 2022 gereed komt. Hoewel zij thans niet in staat is tot terugbetaling aan verzoekster, voorziet zij de vordering van verzoekster te kunnen voldoen met gelden die zij verwacht van (nieuwe) investeerders met wie zij in gesprek is. Derhalve verzoekt verweerster het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para>De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat onbetwist is dat verzoekster op grond van een overeenkomst met verweerster een opeisbare vordering heeft van € 113.848,42, exclusief de kosten voor de faillissementsaanvraag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk is gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft verzoekster voldoende gemotiveerd gesteld dat er sprake is van een steunvordering van de Belastingdienst. De verschuldigdheid van deze vordering wordt door verweerster niet weersproken. Aldus is van het bestaan van een steunvordering summierlijk gebleken. De vraag of er sprake is van meerdere overige steunvorderingen, zoals door verzoekster is gesteld en door verweerster is betwist, behoeft derhalve geen bespreking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan het enkele feit dat verweerster stelt dat het vooruitzicht bestaat dat het product medio zomer 2022 gereed komt, waardoor volgens verweerster gelden beschikbaar komen ter voldoening van de vordering van verzoekster, niet de conclusie rechtvaardigen dat verzoekster geen redelijk belang heeft bij de faillissementsaanvraag of dat zij in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement kon komen. Verweerster is immers meerdere keren en al geruime tijd door verzoekster in de gelegenheid gesteld een betalingsregeling te treffen en is eerdere betalingstoezeggingen niet nagekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart H.S.S. HOLLAND SAFETY SYSTEMS B.V. voornoemd in staat van  </para>
    <para>	 faillissement;</para>
    <para />
    <para>- benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen, lid van deze rechtbank;</para>
    <para />
    <para>- stelt aan tot curator mr. A-J. van der Duijn Schouten, advocaat te Dordrecht;</para>
    <para />
    <para>- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. T. Mulder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2022 te 10:00 uur.<footnote-ref linkend="_3221f2df-d8ba-4dce-b112-3f9c708e98d0" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3221f2df-d8ba-4dce-b112-3f9c708e98d0" label="1">
    <para>   Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>