<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:1825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-16T14:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/2374</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:1825">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:1825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-14T12:55:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:1825 Rechtbank Rotterdam , 14-03-2022 / ROT 21/2374</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:1825:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Einduitspraak na tussenuitspraak. Wet inburgering (2013). Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin de hoogte van de door eiseres terug te betalen lening is vastgesteld en is bepaald dat zij per datum x met een bedrag y per maand deze lening moet gaan aflossen. Toepassing van nieuwe regeling in artikel 4.16a van de Regeling Inburgering (2013) om gedeeltelijk kwijt te schelden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:1825:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/2374</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">einduitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2022  in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,</bridgehead>
    <para>gemachtigde [naam],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. G.J.M. Naber.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 15 november 2021 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 26 maart 2021 (het bestreden besluit) in strijd is met rechtbank in strijd is met de evenredigheid als neergelegd artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 december 2021, ontvangen op 26 januari 2022, heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 11 februari 2022  heeft eiseres hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor zover verweerder daarin de evenredigheid van primair besluit 2 om de lening bij eiseres volledig te innen, niet heeft onderzocht en gemotiveerd. Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit in zoverre.</para>
    <para />
    <para>2. Het betoog van eiseres dat verweerder door niet binnen de in de tussenuitspraak gegeven termijn het geconstateerde gebrek te herstellen zijn recht heeft verspeeld om het besluit tot inning van de lening te handhaven, treft geen doel. Dit volgt niet uit de tussenuitspraak en er is ook geen wettelijke bepaling die noopt tot die conclusie. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft zich in zijn reactie op het standpunt gesteld dat hij ook na afweging van de betrokken belangen nog steeds geen aanleiding ziet eiseres de studieschuld (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Verweerder wijst erop dat niet voldaan is aan zijn nieuwe mogelijkheid tot gedeeltelijke kwijtschelding die per 1 januari 2022 is voorzien in artikel 4.16a van de Regeling Inburgering. Weliswaar had eiseres na afloop van de eerst gegeven termijn nog maar twee onderdelen af te leggen, maar zij heeft deze daarna niet alsnog binnen 6 maanden daarna behaald, aldus verweerder in zijn reactie. Verder is volgens verweerder niet van dusdanig bijzondere omstandigheden gebleken, dat eiseres niet in staat kon worden geacht op een eerder moment de ontbrekende examenonderdelen te behalen.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres voert hiertegen aan dat verweerder miskent dat als gevolg van Coronamaatregelen verweerder de tweede termijn met 4 maanden had verlengd, zodat wel zijn nieuwe kwijtscheldingsregeling als bedoeld in artikel 4.16a, vijfde lid, van de Regeling Inburgering toepassing vindt.</para>
    <para />
    <para>5. Op grond van artikel 4.16a, vijfde lid, van de Regeling Inburgering stelt verweerder de hoogte van de kwijtschelding van de schuld vast aan de hand van de volgende tabel, opgenomen in bijlage 19 bij deze regeling: </para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="de5ff36d-cb8d-4730-a8aa-fb1e997e573e" depth="264" width="490" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>Blijkens het overgangsrecht is deze bepaling per 1 januari 2022 in werking getreden en wordt deze met ingang van 1 maart 2022 door verweerder toegepast (zie Staatscourant 2021, 49155). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het betoog van eiseres slaagt. Met eiseres kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat toepassing van zijn nieuwe kwijtscheldingsregeling in dit geval niet leidt tot (gedeeltelijke) kwijtschelding. Weliswaar liep de eerste fase van de inburgeringstermijn af op 1 maart 2020 (zie verweerders besluit van 12 juni 2019, gedingstuk B10), maar de periode daarna is door verweerder in verband met sluiting van de opleidingsinstituten in de periode van maart 2020 tot en met juni 2020 als gevolg van Coronamaatregelen met 4 maanden verlengd (zie verweerders besluit van 14 september 2020, gedingstuk B18). De volgens de tabel in acht te nemen termijn begon voor eiseres dus weer te lopen vanaf 1 juli 2020. Eiseres heeft binnen 3 tot 6 maanden daarna alle examenonderdelen behaald. Eiseres heeft immers ook volgens verweerder op 26 oktober 2020 het volledige inburgeringsexamen behaald (zie verweerders besluit van 12 november 2020, gedingstuk B19). </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept primair besluit 2 voor zover verweerder daarin geweigerd heeft eiseres een deel van de lening kwijt te schelden. De rechtbank acht de door verweerder per 1 januari 2022 ingevoerde kwijtscheldingsregeling neergelegd in art. 4.16a vijfde lid Regeling Inburgering niet onevenredig of anderszins onredelijk en zal die regeling in de huidige zaak al toepassen, mede omdat verweerder daartoe bereid is gebleken. De rechtbank stelt vast dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid in de zin van de regeling: 2 onderdelen waren op 1 maart 2020 nog niet afgelegd, deze zijn alsnog binnen 3 tot 6 maanden behaald, van bijzondere omstandigheden anders dan besproken in de tussenuitspraak onder 4. en 7. en de Coronamaatregelen die al zijn verdisconteerd in verlenging van de termijn, is niet gebleken. De rechtbank bepaalt daarom dat, gelet op de tabel behoren bij artikel 4.16a, vijfde lid, van de Regeling Inburgering, eiseres 40% van de studieschuld wordt kwijtgescholden. </para>
    <para />
    <para>8. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt (€ 49,-).</para>
    <para />
    <para>9. Er is niet gebleken van in bezwaar of beroep gemaakte proceskosten, zodat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het volledig innen van de lening bij eiseres in primair besluit 2 is gehandhaafd; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>herroept primair besluit 2 in zoverre; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat 40% van de studieschuld van eiseres wordt kwijtgescholden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Lammerse, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 15 november 2021 kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>