<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-31T11:20:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/156 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10958">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-02T13:20:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10958 Rechtbank Rotterdam , 16-12-2022 / ROT 21/156 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10958:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opposante zou op 24 september 2020 een inzageverzoek (op grond van de AVG) hebben gedaan bij verweerder. Eiseres heeft een beroep niet-tijdig beslissen ingesteld, omdat verweerder niet heeft gereageerd op het inzageverzoek. Verweerder stelt dit verzoek niet te hebben ontvangen. In het dossier bevindt zich een AVG-verzoek van 2 oktober 2020 waar verweerder van op de hoogte was. Twijfel over buiten-zittinguitspraak. Het verzet gegrond en met toepassing van 8:55, tiende lid, van de Awb is ook beslist op het beroep niet-tijdig beslissen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10958:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/156 V</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2022 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [opposante] , uit [plaats] , opposante</title>
    <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>opposante</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,</title>
    <para>verweerder.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 oktober 2020 heeft opposante verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 24 september 2020 om op grond van de Algemene</para>
      <para>Verordening Gegevensbescherming (AVG) inzage te krijgen in haar dossier, inclusief de</para>
      <para>transcripties van telefoongesprekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 januari 2021 heeft opposante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 3 december 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 1 april 2022 op zitting behandeld. Namens opposante is haar gemachtigde verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek is ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen eventuele bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat opposante op of omstreeks 14 oktober 2020 contact heeft gezocht met verweerder om een verzoek om inzage van 24 september 2020 te bespreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 8 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek is ter zitting voortgezet op 7 december 2022. Namens opposante is haar gemachtigde verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De buiten-zittinguitspraak van 3 december 2021</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	In de buiten-zittinguitspraak is overwogen dat verweerder geen inzageverzoek op grond van de AVG van 24 september 2020 heeft ontvangen, terwijl opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dat verzoek heeft verzonden. Om die reden kan niet worden geoordeeld dat verweerder te laat heeft beslist, zodat het niet aan de orde is om verweerder een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen op te leggen. In de brief van 18 augustus 2021 heeft opposante opgemerkt dat zij op 14 oktober 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder om naar de status van haar inzageverzoek te vragen, maar daarmee heeft opposante volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar verzoek daadwerkelijk ter verzending per post is aangeboden. Daarbij komt dat uit deze brief van opposante niet blijkt niet met wie zij heeft gesproken en wat de uitkomst was van dat gesprek. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het verzet van opposante</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Opposante voert tegen de buiten-zittinguitspraak aan dat haar beroep ten onrechte zonder zitting is afgedaan. Opposante stelt dat verweerder haar tijdens het telefoongesprek van 14 oktober 2020 heeft medegedeeld dat het verzoek in goede orde was ontvangen, en dat de dossierverantwoordelijke contact op zou nemen om de stand van zaken te bespreken. Opposante heeft gevraagd om een aantekening van het gesprek te maken. Ook heeft zij om een ontvangstbevestiging gevraagd. De aantekeningen van het gesprek zijn om onverklaarbare redenen niet terug te vinden in de stukken van verweerder. De rechtbank heeft deze transcripties ten onrechte niet opgevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het verzet</title>
    <para />
    <para>3. In deze procedure moet de verzetrechter de vraag beantwoorden of het beroep van opposante bij de uitspraak van 3 december 2021 terecht zonder zitting is afgedaan, omdat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de verzetrechter is beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de buiten-zittinguitspraak. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de buiten-zittinguitspraak. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.</para>
    <para />
    <para>4. De verzetrechter overweegt het volgende. Bij het beroepschrift heeft opposante een brief van 24 september 2020 gevoegd waarin zij verweerder verzoekt om inzage op grond van de AVG. Verweerder betwist deze brief te hebben ontvangen en oppossante heeft deze brief niet aangetekend verzonden. Op 2 oktober 2020 heeft opposante verweerder echter via een e-mailbericht verzocht om inzage in haar stukken en noemt hierin expliciet de AVG. Verweerder heeft niet op deze e-mail gereageerd. Deze e-mail (met het inzageverzoek) is bekend bij verweerder, zo blijkt uit de brief van verweerder van 8 april 2022 en uit de door verweerder aangeleverde dossierstukken, waarin zich ook het e-mailbericht van 2 oktober 2020 bevindt.</para>
    <para />
    <para>5. Bij de verzetrechter is, gelet op het bovenstaande, twijfel ontstaan over de buiten-zittinguitspraak. Het verzet is dan ook gegrond.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het beroep</title>
    <para />
    <para>6. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op een zitting te worden gehoord. Na de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.</para>
    <para />
    <para>7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn of haar aanvraag (de ingebrekestelling). Als na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>8. Opposante heeft veelvuldig contact gehad met verweerder en heeft verweerder op 26 oktober 2020 in gebreke gesteld. Uitgaande van het AVG-verzoek op 2 oktober 2020 had verweerder een maand de tijd om te beslissen (uiterlijk tot 2 november 2020). De ingebrekestelling is daarmee te vroeg (prematuur) ingediend, maar omdat het beroep niet prematuur is ingediend, gaat de rechtbank uit van een situatie waarin de ingebrekestelling na afloop van de beslistermijn is ingediend.</para>
    <para />
    <para>9. De dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is in deze zaak van toepassing. De rechtbank stelt de (bestuurlijke) dwangsom vast € 1.442,-, met toepassing van artikel 8:55c van de Awb.</para>
    <para />
    <para>10. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Wordt deze termijn overschreden, dan verbeurt verweerder een dwangsom. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>11. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door opposante betaalde griffierecht vergoeden.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door opposante gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift en 1 punt voor het verschijnen op een verzetzitting en nadere zitting) De waarde van 1 punt bedraagt € 759,- en de wegingsfactor is 1. Toegekend wordt € 1.897,50.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het verzet gegrond;</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- stelt de door verweerder te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze<?linebreak?>  uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek van opposante;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan opposante een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke<?linebreak?>  dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van<?linebreak?>  € 15.000,-;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 181,- aan opposante vergoedt;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 1.897,50.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <parablock>
      <para>Voor zover is beslist op verzet is het niet mogelijk om daartegen verzet of hoger beroep in te stellen.</para>
      <para>Voor zover is beslist op het beroep kan een partij, die het niet eens is met deze uitspraak, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>