<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-21T14:00:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9656610 / CV EXPL 22-2957</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10934">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-15T10:34:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10934 Rechtbank Rotterdam , 16-12-2022 / 9656610 / CV EXPL 22-2957</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10934:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis na bewijsopdracht. Bewijslevering door middel van overlegging stukken. Gedaagde is er niet in geslaagd het bewijs te leveren. Vordering toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10934:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 9656610 / CV EXPL 22-2957
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 16 december 2022
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Stichting Vestia
</emphasis>
,
</para>
      <para>
gevestigd in Rotterdam,
</para>
      <para>
eiseres,
</para>
      <para>
gemachtigde: Bazuin &amp; Partners Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende in [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
die zelf procedeert.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De partijen worden hierna ‘Vestia’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
Het verdere verloop van de procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
het tussenvonnis van 26 augustus 2022 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de aantekeningen van het mondelinge verweer van [gedaagde01] op de rolzitting van 22 september 2022;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de brief van 19 oktober 2022 van [gedaagde01] voor de rolzitting van 20 oktober 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de akte van houdende uitlatingen van Vestia.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De verdere beoordeling
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
De kantonrechter blijft bij zijn overwegingen in het tussenvonnis van 26 augustus 2022 en neemt die over.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
[gedaagde01] slaagt niet in de bewijslevering.
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
In het tussenvonnis van 26 augustus 2022 heeft de kantonrechter [gedaagde01] toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de huur die [gedaagde01] aan Vestia moet betalen altijd door middel van een automatische incasso van zijn bankrekening werd afgeschreven.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
In het kader van de bewijslevering heeft [gedaagde01] bankafschriften van huurbetalingen van [gedaagde01] aan Vestia in de periode van 18 september 2019 tot en met 30 november 2020 overgelegd. Uit die bankafschriften valt niet af te leiden dat de huur die [gedaagde01] aan Vestia moet betalen door middel van een automatische incasso van zijn bankrekening werd afgeschreven. In tegendeel, uit de bankafschriften valt juist af te leiden dat [gedaagde01] de huur maandelijks door middel van Internetbankieren (handmatig) naar de bankrekening van Vestia overboekte.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde01] niet in de bewijslevering is geslaagd. Zijn verweer tegen de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten wordt daarom verworpen (zie ook overweging 4.11. van het tussenvonnis van 26 augustus 2022).
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
De conclusie
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.5.
</nr>
      <para>
In het tussenvonnis van 26 augustus 2022 is al overwogen dat [gedaagde01] € 576,07 aan huurachterstand aan Vestia moet betalen (zie overweging 4.3. van het tussenvonnis van 26 augustus 2022). De door Vestia geëiste buitengerechtelijke kosten van € 102,91 zijn ook toewijsbaar, omdat Vestia aan alle voorwaarden heeft voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De wettelijke rente over de toewijsbare huurachterstand is ook toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding, omdat uit de stellingen van Vestia volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] deze stellingen niet heeft betwist.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
De proceskosten
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.6.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Vestia tot vandaag vast op € 129,74 aan dagvaardingskosten, € 322,00 aan griffierecht en € 434,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punt x € 124,00). Dit is totaal € 885,74. Voor kosten die Vestia maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 62,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (zie Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.7.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
3.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan Vestia te betalen € 678,98 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 576,07 vanaf 25 januari 2022 tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van Vestia tot vandaag vastgesteld op € 885,74;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.4.
</nr>
      <para>
wijst al het andere af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
38671
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>