<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-16T08:49:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/642018 / HA ZA 22-583</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10923">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-16T08:48:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10923 Rechtbank Rotterdam , 14-12-2022 / C/10/642018 / HA ZA 22-583</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10923:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident. Relatieve bevoegdheid ex artikel 99 lid 1 Rv. Zaaksverdelingsreglement Rechtbank Rotterdam. Afwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10923:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="a1a98a41-f54a-4eff-b64d-dd3b3c833e89" format="image/png" scale="100" width="13" /></imageobject></inlinemediaobject>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="af250cad-1c34-4a52-bf83-d7881e55d479" format="image/png" scale="100" width="523" /></imageobject></inlinemediaobject>
vonnis
</para>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Team handel en haven
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer / rolnummer: C/10/642018 / HA ZA 22-583
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis in incident van 14 december 2022
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
</para>
      <para>
<emphasis role="bold">
HOOGHWERFF HOLDING B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
statutair gevestigd in Strijen,
</para>
      <para>
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
</para>
      <para>
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
</para>
      <para>
verweerster in het incident,
</para>
      <para>
advocaat mr. J.R. Vermeulen te Rotterdam,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende in [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
</para>
      <para>
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
</para>
      <para>
eiseres in het incident,
</para>
      <para>
advocaat mr. A.C.F. Berkhof te Goes.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
Partijen worden hierna Hooghwerff en [gedaagde01] genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 12 juli 2022, met producties 1 tot en met 21;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de exceptie van onbevoegdheid tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 15;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
Het geschil in de hoofdzaak
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Hooghwerff vordert in de hoofdzaak om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van € 271.513,39 exclusief btw aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en € 1.038,62 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde01] in de proceskosten.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
Hooghwerff legt aan haar vordering - kort gezegd - ten grondslag dat door Hooghwerff van [gedaagde01] gekochte percelen grond ernstig zijn verontreinigd, terwijl deze verontreiniging voorafgaand en tijdens de koop nooit aan Hooghwerff is medegedeeld. Volgens Hooghwerff is daarmee
<emphasis role="italic">
primair
</emphasis>
sprake van non-conformiteit, dan wel
<emphasis role="italic">
subsidiair
</emphasis>
van dwaling.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering van Hooghwerff. Daarnaast stelt [gedaagde01] een vordering in reconventie in, die strekt tot opheffing van het gelegde beslag.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3.
</nr>
Het geschil in het incident
</title>
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
[eiseres01] vordert dat de zaak wordt doorverwezen naar de sector Civiel van de Rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, met veroordeling van [eiseres01] in de proceskosten in het incident.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
[eiseres01] stelt daartoe het volgende. In randnummer 6.1 en 6.2 van de dagvaarding onderbouwt Hooghwerff dat de sector Civiel van de Rechtbank Rotterdam bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil en stelt Hooghwerff expliciet dat de locatie Dordrecht van deze rechtbank bevoegd is om over de onderhavige vordering te oordelen. Hooghwerff heeft [eiseres01] echter bij dagvaarding opgeroepen te verschijnen voor de locatie Rotterdam van deze rechtbank. De sector Civiel van de locatie Rotterdam van deze rechtbank is niet bevoegd, zodat de zaak ter verdere behandeling intern moet worden doorgezonden aan de locatie Dordrecht van deze rechtbank.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
Hooghwerff refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beoordeling in het incident
</title>
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
De incidentele conclusie is tijdig en voor alle weren genomen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
Op grond van artikel 99 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij, tenzij de wet anders bepaalt. Niet in geschil is dat [eiseres01] woonachtig is in [plaats01] en dat deze plaats behoort tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank begrijpt dat [eiseres01] van mening is dat de zaak volgens het zaaksverdelingsreglement behandeld moet worden bij de locatie Dordrecht van deze rechtbank.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
Sinds de Wet herziening gerechtelijke kaart, in werking getreden op 1 januari 2013, is de rechtbank te Dordrecht opgehouden te bestaan en beslaat het arrondissement van deze rechtbank dat van haar beide voorgangers (de rechtbank te Rotterdam en de rechtbank te Dordrecht; zie de artikelen I en CII en verder van die wet). Het zaaksverdelingsreglement is hierbij een leidraad voor de (interne) verdeling van zaken. Het behandelen van een zaak op de ene locatie dan wel de andere locatie van deze rechtbank, kan niet leiden tot onbevoegdheid van deze rechtbank.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.5.
</nr>
      <para>
[eiseres01] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordeeld. Die proceskosten worden tot aan deze uitspraak begroot op € 563,00 (één punt) aan salaris voor de advocaat van Hooghwerff.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De rechtbank:
</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
in het incident
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
wijst het gevorderde af;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [eiseres01] in de kosten van het incident, aan de zijde van Hooghwerff tot op vandaag begroot op € 563,00;
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="bold">
in de hoofdzaak
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
<emphasis role="bold">
28 december 2022
</emphasis>
voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is door de rolrechter ondertekend en op 14 december 2022 in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
3349 / 1407
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>