<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10632</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T10:45:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/3941</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10632">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10632</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T10:45:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10632 Rechtbank Rotterdam , 07-12-2022 / ROT 21/3941</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10632:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Uitspraak na tussenuitspraak. Motiveringsgebrek niet geheeld. Beroep gegrond. Opdracht aan de burgemeester om binnen zes weken bij een nieuw besluit op het bezwaar de weigering te herroepen en de aangevraagde vergunningen alsnog te verlenen.</para>
        <para>Zie ook ECLI:NL:RBROT:12313 (tussenuitspraak) en ECLI:NL:RVS:2026:2737 (uitspraak in hoger beroep)</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10632:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/3941 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam eiser] , uit [plaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Altindag),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van de gemeente Schiedam (de burgemeester)</title>
    <para>(gemachtigden: [persoon A] en [persoon B] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 28 juli 2022 een tussenuitspraak gedaan waarin de burgemeester in de gelegenheid is gesteld om een motiveringsgebrek te herstellen. In deze uitspraak staat ter beoordeling of de burgemeester erin is geslaagd het gebrek te herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De burgemeester heeft bij brief van 13 september 2022 een nadere motivering ingediend. Eiser heeft bij brief van 13 oktober 2022 zijn zienswijze daarop gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“7.3	Uit de stukken blijkt dat heer [persoon C] vanaf 7 september 2016 tot 5 december 2016 en eiser vanaf 25 oktober 2016 één van de leidinggevenden bij [naam horecagelegenheid] zijn geweest. Dit betekent dat de heer [persoon C] geen leidinggevende was op het moment van de in het besluit van 19 september 2017 door verweerder gestelde misstanden bij [naam horecagelegenheid] . Voor eiser geldt dat hij naast zeven anderen als leidinggevende geregistreerd was op het moment van de misstanden in 2017. Uit de door verweerder overgelegde rapportages over 2 maart 2017 en 22 april 2017 blijkt niet dat eiser op die data als leidinggevende aanwezig was. Over de situatie op 29 juli 2017 en van de (anonieme) meldingen over overlast zitten geen stukken in het dossier, zodat evenmin duidelijk is of eiser op die data als leidinggevende aanwezig was. Wat de wijze van bedrijfsvoering van eiser als leidinggevende bij [naam horecagelegenheid] was, is ook overigens niet duidelijk. Verder zijn deze misstanden niet concreet aan de intrekking van de vergunningen (en dus de sluiting) van [naam horecagelegenheid] ten grondslag gelegd. Dit alles betekent dat verweerders stelling dat eiser betrokken was bij de omstandigheden die hebben geleid tot sluiting van [naam horecagelegenheid] , onvoldoende steun vindt in de stukken. Gelet hierop en op het tijdsverloop tussen de incidenten uit 2017 en eisers aanvraag van 12 februari 2020, heeft verweerder de weigering wegens slecht levensgedrag, ook in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, onvoldoende gemotiveerd. Ook de weigering wegens de wijze van bedrijfsvoering door eiser is door verweerder onvoldoende gemotiveerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[…]</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>13.1</nr>
      <para>Het onder 7.3 geconstateerde motiveringsgebrek is in beginsel te herstellen met een verbeterde motivering. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder daartoe in de gelegenheid te stellen. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder nader motiveren welke feiten en omstandigheden aan het oordeel over het levensgedrag ten grondslag liggen en waarom die feiten en omstandigheden hier relevant zijn voor de exploitatie van een horecabedrijf en hoe eiser vooraf had kunnen weten dat hij, gezien die feiten en omstandigheden, niet aan die voorwaarde voldoet. Verweerder dient ook te motiveren waarom de feiten en omstandigheden waarop hij zijn weigering baseert niet gering zijn en waarom zij, ondanks het tijdsverloop, nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van eiser om een horecabedrijf op verantwoorde wijze uit te oefenen. Verder dient verweerder de weigering wegens de wijze van bedrijfsvoering door eiser nader te motiveren.”</para>
      <para />
      <para>2. De burgemeester gaat in zijn brief van 13 september 2022 niet alleen in op het in 7.3 van de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek, maar ook op wat de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen over valsheid in geschrifte. Over dat onderwerp heeft de rechtbank in de tussenuitspraak echter al een eindoordeel gegeven. Het is vaste rechtspraak dat het de rechtbank niet vrij staat om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3219). Van een zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake, zodat de rechtbank uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.</para>
      <para />
      <para>3. Over de rol van eiser als leidinggevende heeft de burgemeester naar aanleiding van de tussenuitspraak het volgende aangevuld in zijn motivering. De burgemeester wijst erop dat [naam horecagelegenheid] werd geëxploiteerd door dezelfde exploitant als een horecabedrijf in Zoetermeer en een horecabedrijf in Rotterdam. Die horecabedrijven zijn wegens meerdere incidenten en misstanden langere tijd gesloten geweest. Gelet op de feiten en omstandigheden die aan die sluitingen ten grondslag liggen, vindt de burgemeester het aannemelijk dat de leidinggevenden weet en kennis moeten hebben gehad van de activiteiten die zich in het horecabedrijf hebben voorgedaan. Eiser was leidinggevende van café [naam horecagelegenheid] en gelet op de wijze van bedrijfsvoering en de vermoedens van schijnbeheer, acht de burgemeester het niet aannemelijk dat eiser niet geweten heeft wat er zich in het horecabedrijf afspeelde.</para>
      <para />
      <para>4. Met deze aanvullende motivering heeft de burgemeester het motiveringsgebrek niet hersteld. De burgemeester is ingegaan op de redenen die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van horecagelegenheden in andere gemeenten en de rol die de exploitant van die horecaondernemingen daarbij heeft gespeeld. Niet valt in te zien dat de feiten en omstandigheden die aan de sluiting van die andere horecabedrijven ten grondslag liggen aannemelijk maken dat eiser als een van de acht leidinggevenden van [naam horecagelegenheid] weet en kennis moet hebben gehad van de door de burgemeester gestelde activiteiten die zich in [naam horecagelegenheid] hebben voorgedaan. De door de burgemeester aangevoerde ‘wijze van bedrijfsvoering en de vermoedens van schijnbeheer’ zijn ook onvoldoende concreet om aannemelijk te achten dat eiser wist van misstanden die volgens de burgemeester in [naam horecagelegenheid] hebben gespeeld. De burgemeester heeft ook naar aanleiding van de tussenuitspraak geen stukken overgelegd waaruit de concrete betrokkenheid van eiser als leidinggevende bij misstanden of incidenten bij [naam horecagelegenheid] blijkt. Overigens blijft van belang dat die misstanden niet concreet aan de intrekking van de vergunningen (en dus de sluiting) van [naam horecagelegenheid] ten grondslag zijn gelegd. De burgemeester is verder niet ingegaan op het tijdsverloop tussen de gestelde misstanden en het moment waarop bij het bestreden besluit moest worden beslist over het levensgedrag van eiser. De rechtbank concludeert daarom dat de burgemeester er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat eiser niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. </para>
      <para />
      <para>5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet (behalve voor het deel dat ziet op de dwangsom niet tijdig beslissen) worden vernietigd. De drie gronden waarop de burgemeester de weigering van de door eiser aangevraagde exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning heeft gebaseerd, kunnen die weigering niet dragen. Ook de weigering van de aanwezigheidsvergunning, die is gebaseerd op de weigering van de Drank- en Horecawetvergunning, kan daarom geen stand houden. De burgemeester heeft de vergunningen daarom ten onrechte geweigerd te verlenen. </para>
      <para>De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien door de vergunningen alsnog te verlenen, omdat vergunningverlening onder het stellen van voorschriften plaatsvindt en het aan de burgemeester is om die voorschriften te stellen. Daarom volstaat de rechtbank met vernietiging van het bestreden besluit zoals hiervoor weergegeven met de opdracht aan de burgemeester om binnen zes weken bij een nieuw besluit op het bezwaar de weigering te herroepen en de aangevraagde vergunningen alsnog te verlenen.</para>
      <para />
      <para>6. Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.</para>
      <para />
      <para>7. Verder moet de burgemeester de proceskosten van eiser aan hem vergoeden. Die kosten bestaan uit de kosten van professionele rechtsbijstand en stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.897,50: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, 0,5 punt voor de zienswijze op de herstelpoging van de burgemeester met een waarde per punt van € 759 en wegingsfactor 1.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit met uitzondering van het deel dat ziet op de dwangsom niet tijdig beslissen;</para>
    <para>- draagt de burgemeester op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen door het besluit van 15 mei 2020 te herroepen en de aangevraagde vergunningen alsnog te verlenen;</para>
    <para>- bepaalt dat de burgemeester aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 181 moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.897,50.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op <?linebreak?>7 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 28 juli 2022 kan binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>