<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-05T15:09:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9645878 CV EXPL 22-2439</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10595">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-05T15:07:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10595 Rechtbank Rotterdam , 02-12-2022 / 9645878 CV EXPL 22-2439</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10595:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Facturen advocaat moeten betaald worden. Omvang opdracht, kwaliteit werk. Bepaling contractuele rente is oneerlijk beding. Geen contractuele incassokosten, maar conform staffel BIK.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10595:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 9645878 CV EXPL 22-2439
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 2 december 2022 (bij vervroeging)
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Westland Partners Advocatuur B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
vestigingsplaats: Naaldwijk (gemeente Westland),
</para>
      <para>
eiseres,
</para>
      <para>
gemachtigde: mr. A. van den Bogert,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
die zelf procedeert.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De partijen worden hierna ‘Westland’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 30 december 2021, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de aantekeningen van het mondeling antwoord;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het schriftelijke antwoord, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de repliek, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de dupliek, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de akte uitlaten van Westland;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het tussenvonnis van 15 juli 2022.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Op 17 november 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig mr. Van den Bogert namens Westland en [gedaagde01] in persoon, samen met zijn dochter [naam01] .
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De feiten
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Westland Partners heeft voor [gedaagde01] juridische werkzaamheden verricht. Op 11 maart 2021 heeft Westland Partners een opdrachtbevestiging aan [gedaagde01] gestuurd. In deze opdrachtbevestiging staat, voor zover relevant:
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
“Dank voor de opdracht in bovenvermelde zaak uw belangen te behartigen.
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
(…)
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
Het overeengekomen uurtarief voor het kalenderjaar 2021 bedraagt in deze zaak € 195,00, een en ander te vermeerderen met verschotten en btw.
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
(…)
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
Op uw rechtsverhouding met Westland Partners zijn zoals afgesproken de algemene voorwaarden van toepassing zoals per e-mail bijgevoegd. (…).”
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <parablock>
        <para>
In de algemene voorwaarden van Westland Partners staat, voor zover relevant:
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
“12. Door WP te verzenden declaraties dienen, zonder opschorting of verrekening, binnen de overeengekomen termijn te worden voldaan, of binnen 14 dagen indien geen betalingstermijn is overeengekomen, bij gebreke waarvan de opdrachtgever geacht wordt in verzuim te zijn. Onverminderd de over het openstaande bedrag verschuldigde rente van 1% per maand (waarbij een gedeelte van een maand voor een volle maand wordt gerekend), is WP bevoegd het verschuldigde bedrag te verhogen met alle kosten verbonden aan de inning van het verschuldigde. De buitengerechtelijke kosten worden vastgesteld op 15% van de verschuldigde hoofdsom, met een minimumbedrag van € 40,- voor consumenten en een minimumbedrag van € 500,- ten aanzien van cliënten die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.”
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
Westland heeft [gedaagde01] op 11 maart 2021, 16 maart 2021, 15 april 2021, 3 mei 2021, 7 juni 2021, 15 juli 2021, 10 augustus 2021, 14 september 2021 en 11 oktober 2021 facturen gestuurd. Het totaalbedrag van deze facturen is € 6.941,65. [gedaagde01] heeft hiervan € 2.887,60 aan Westland betaald.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
Op 29 juni 2021 hebben Westland en [gedaagde01] een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst erkent [gedaagde01] tot en met 31 mei 2021 een bedrag van € 3.838,89 aan Westland te moeten betalen. Partijen spreken af dat [gedaagde01] dit bedrag in maandelijkse termijnen van € 500,- zal betalen, waarbij de eerste termijn uiterlijk op 30 juni 2021 moet worden betaald en iedere volgende termijn vervolgens steeds uiterlijk op de 30e van de volgende maand. De betalingsregeling vervalt als een termijn niet op tijd of niet volledig wordt betaald.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.5.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] is de betalingsregeling niet volledig nagekomen. Op 23 november 2021 heeft Westland een zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ aan [gedaagde01] gestuurd, waarin [gedaagde01] in de gelegenheid is gesteld om een bedrag van € 4.266,41 zonder extra kosten te betalen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3.
</nr>
Het geschil
</title>
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
Westland eist samengevat:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen aan haar te betalen € 4.662,15, met rente over € 4.054,05;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten met rente;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 4.054,05 en (primair) buitengerechtelijke kosten van € 608,10. Subsidiair eist Westland € 530,41 aan buitengerechtelijke kosten.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <parablock>
        <para>
Westland baseert de eis op het volgende. Er bestaat een overeenkomst van opdracht tussen Westland en [gedaagde01] . Westland heeft op grond van die overeenkomst van opdracht werkzaamheden verricht voor [gedaagde01] tegen een uurtarief van € 195,- exclusief btw. Er zijn verschillende facturen gestuurd, die [gedaagde01] niet volledig heeft betaald.
</para>
        <para>
Op de overeenkomst van opdracht zijn algemene voorwaarden van toepassing. Daarin staat dat de facturen uiterlijk na veertien dagen betaald moeten worden. In die algemene voorwaarden staat ook dat als niet op tijd wordt betaald, er rente betaald moet worden van 1% per maand en dat Westland 15% buitengerechtelijke kosten in rekening mag brengen.
</para>
        <para>
Op 23 november 2021 heeft Westland een zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ aan [gedaagde01] gestuurd. [gedaagde01] heeft geen gebruik gemaakt van die gelegenheid om zonder extra kosten te betalen.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Westland heeft te veel uren in rekening gebracht. Er hoefde alleen een memorie van antwoord te worden gemaakt. Dat zou 7 of 8 uur werk zijn. Er is geen opdracht gegeven voor het instellen van incidenteel appèl. Er zijn uren in rekening gebracht voor de aanmaningen en betalingsherinneringen. Ook is er geen goed werk geleverd.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] moet aan Westland een bedrag van € 4.054,05 betalen, vermeerderd met € 530,41 aan buitengerechtelijke kosten en vermeerderd met de wettelijke rente. [gedaagde01] noemt wel redenen waarom hij niet zou hoeven betalen, maar dat van (een van) die redenen sprake is, is niet komen vast te staan. Dat blijkt uit het volgende.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Opdracht incidenteel appèl
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] heeft, bij de mondelinge behandeling voor het eerst, gesteld dat hij geen opdracht heeft gegeven aan Westland om incidenteel appèl in te stellen. Het incidenteel appèl zou ook niet nodig zijn geweest, aldus [gedaagde01] . De kantonrechter overweegt dat uit de door Westland overgelegde opdrachtbevestiging niet blijkt dat [gedaagde01] een beperkte opdracht aan Westland heeft gegeven. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde01] Westland opdracht heeft gegeven om hem bij te staan in het hoger beroep en om een nieuwe memorie te schrijven. [gedaagde01] heeft het concept van die memorie (inclusief het incidenteel appèl) gekregen en goedgekeurd. Als [gedaagde01] het niet eens was met het instellen van incidenteel appèl, had hij daar toen meteen over moeten klagen. [gedaagde01] kan niet achteraf, nu de uitkomst van het hoger beroep op dit punt tegenvalt, een deel van het uitgevoerde werk onbetaald laten, omdat hij daar volgens hem geen opdracht voor heeft gegeven. [gedaagde01] moet dus ook betalen voor het werk dat Westland heeft verricht voor het incidenteel appèl.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Aantal uren
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] heeft gesteld dat hem is gezegd dat er maar zeven tot acht uur werk zou worden besteed aan de memorie. Westland heeft dat betwist. Zij heeft toegelicht dat als dit zou zijn afgesproken, dit zou blijken uit de opdrachtbevestiging. In de opdrachtbevestiging is geen urenindicatie opgenomen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Westland, waar alleen [gedaagde01] ’s eigen stelling tegenover staat, is niet komen vast te staan dat de opdracht beperkt is tot zeven of acht uur. Er is daarom geen reden om een deel van de vordering van Westland (voor zover er meer dan zeven of acht uur in rekening zijn gebracht) af te wijzen. [gedaagde01] moet alle uren die zijn besteed betalen.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Aanmaningen en herinneringen
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] heeft ook gesteld dat Westland de tijd die zij heeft besteed aan de aanmaningen en betalingsherinneringen heeft gedeclareerd. Westland heeft dit betwist en toegelicht dat alle uren die zijn besteed aan het betalingsgedrag van [gedaagde01] , inclusief de vaststellings-overeenkomst van 29 juni 2021, zijn gecrediteerd.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.5.
</nr>
      <para>
Hoewel [gedaagde01] veel stukken heeft overgelegd, blijkt uit die stukken niet dat Westland op bepaalde dagen alleen heeft aangemaand (en dus geen andere werkzaamheden heeft verricht) en vervolgens die kosten bij [gedaagde01] in rekening heeft gebracht. Het had op de weg van [gedaagde01] gelegen om een toelichting op zijn stukken te geven, met verwijzingen waaruit blijkt dat zijn stelling klopt. Nu [gedaagde01] dat niet heeft gedaan, kan de kantonrechter niet als vaststaand aannemen dat Westland voor haar buitengerechtelijke incassowerkzaamheden bij [gedaagde01] heeft gedeclareerd. Ook dit verweer van [gedaagde01] slaagt daarom niet.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Kwaliteit van het werk
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.6.
</nr>
      <para>
Tot slot heeft [gedaagde01] gesteld dat het werk dat Westland heeft verricht niet goed zou zijn. Los van het feit dat [gedaagde01] niet toelicht waarom het werk niet goed zou zijn geweest, is het een gegeven dat de uitkomst van een gerechtelijke procedure nooit van tevoren vast staat. Een advocaat heeft alleen een inspanningsverplichting en hoeft geen bepaald resultaat te garanderen. Er is niet gebleken van fouten van Westland in het hoger beroep. De kantonrechter neemt dan ook aan dat Westland zich voldoende heeft ingespannen. Dat [gedaagde01] op een (nog) betere uitkomst had gehoopt, betekent niet dat Westland het niet goed heeft gedaan. Ook dit verweer slaagt dus niet.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.7.
</nr>
      <para>
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. Wel wordt, omdat in de veertiendagenbrief de buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zijn aangezegd, conform dit Besluit een bedrag van € 530,41 toegewezen. Het primair gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten op basis van de algemene voorwaarden is niet toewijsbaar.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.8.
</nr>
      <para>
De rente uit de algemene voorwaarden is niet toewijsbaar. De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of een beding als dit, dat is opgenomen in de algemene voorwaarden, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Artikel 12 van de algemene voorwaarden betreft een boetebeding in de vorm van een contractuele vertragingsrente van 1% per maand, wat neerkomt op een rente van 12% per jaar. Dit rentebeding is naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk in de zin van de Richtlijn, omdat het het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [gedaagde01] , een consument, aanzienlijk verstoort. De rente is immers aanmerkelijk hoger dan de actuele wettelijke handelsrente van 8%. Westland heeft geen bijkomende omstandigheden gesteld die zo’n hoge rente rechtvaardigen. De kantonrechter zal het rentebeding buiten toepassing laten. Dit betekent dat de primair gevorderde rente niet toewijsbaar is. De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar, steeds vanaf de dag waarop de facturen betaald hadden moeten zijn.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.9.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Westland tot vandaag vast op € 119,21 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht en € 747,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten × € 249,- tarief). Dit is totaal € 1.353,21. Voor kosten die Westland maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 124,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.10.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan Westland te betalen € 4.584,46, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van Westland tot vandaag vastgesteld op € 1.353,21, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.4.
</nr>
      <para>
wijst al het andere af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
51909
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>