<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:10584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-06T19:30:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/4237</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10584">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:10584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-05T14:08:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:10584 Rechtbank Rotterdam , 06-12-2022 / ROT 21/4237</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:10584:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:10584:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/4237</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>  te Zoetermeer, eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. E.J. Wilhelmy Damsté.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een voorlopige aanslag waterschapsbelastingen opgelegd van € 278,34.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank eiseres verzocht een volmacht over te leggen en stukken waaruit blijkt dat [eiseres]</para>
      <para>dezelfde vennootschap is als [B.V. X]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 1 november 2022 heeft eiseres een volmacht van “Februari/maart/april 2021”, van “april/mei 2022” en een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [B.V. X] overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 november 2022 heeft de rechtbank eiseres verzocht om binnen één week stukken over te leggen waaruit blijkt hoe de [B.V. X] (waarvan eiseres een uittreksel uit het Handelsregister heeft overgelegd) en [eiseres] (de B.V. die wordt aangeslagen) zich tot elkaar verhouden. De rechtbank heeft daarbij vermeld dat als eiseres dit niet verduidelijkt, de rechter hieraan consequenties kan verbinden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft via Teams deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van Artikel 8:24, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van Artikel 8:31 Awb, kan de bestuursrechter indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van  Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank eiseres verzocht een volmacht over te leggen en stukken waaruit blijkt dat [eiseres] dezelfde vennootschap is als [B.V. X] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft eiseres met haar brief van 1 november 2022 op gereageerd, maar niet op het verzoek om stukken waaruit blijkt dat [eiseres] dezelfde vennootschap betreft als [B.V. X] </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 november 2022 heeft de rechtbank eiseres verzocht om binnen één week stukken over te leggen waaruit blijkt hoe de [B.V. X] (waarvan eiseres een uittreksel uit het Handelsregister heeft overgelegd) en [eiseres] (de B.V. die wordt aangeslagen) zich tot elkaar verhouden. De rechtbank heeft daarbij vermeld dat als eiseres dit niet verduidelijkt, de rechter hieraan consequenties kan verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van eiseres heeft met zijn brief van 29 november 2022 in reactie op deze brief van 22 november 2022 opnieuw (onder meer) een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd van [B.V. X] en ook van [Y BV] en [Z BV] ), maar heeft geen duidelijkheid gegeven over hoe [eiseres] en [B.V. X] zich tot elkaar verhouden. </para>
      <para>Eiseres heeft geen redenen gegeven waarom hij het geconstateerde gebrek niet binnen de gestelde termijn heeft geheeld. Eiseres heeft met zijn stukken duidelijk gemaakt dat hij gemachtigd is om namens [naam] beroep in te stellen voor [B.V. X] maar niet dat hij dat namens [eiseres] is. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat sprake is van een statutenwijziging en nog verzocht om binnen één week de gevraagde stukken alsnog te mogen indienen. Gelet op de al gegeven termijnen ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe. </para>
      <para>De rechtbank ziet dan ook grond om het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ontvangen op 9 april 2021. De redelijke termijn is op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan dus niet verstreken. </para>
    <para />
    <para>3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op<?linebreak?>6 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>