<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:9200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-30T10:23:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT EA 21/957</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=284&amp;g=2011-04-30">Faillissementswet 284</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=285&amp;g=2019-01-01">Faillissementswet 285</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=287b&amp;g=2019-01-01">Faillissementswet 287b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=287&amp;g=2017-12-23">Faillissementswet 287</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:9200">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:9200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-27T12:38:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:9200 Rechtbank Rotterdam , 27-08-2021 / FT EA 21/957</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:9200:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toewijzen moratorium, zzp’er, beoogd beschermingsbewindvoerder.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:9200:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummers: [nummer] uitspraakdatum: 27 augustus 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>
        [woonplaats],</para>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 20 juli 2021, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het vonnis van deze rechtbank van 23 juli 2021 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 augustus 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarder heeft namens Stichting Woonbron voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 20 augustus 2021 zijn verschenen en gehoord:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verzoeker;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de heer V.T. Raats en de heer M. Van Pelt, werkzaam bij Zuidweg &amp; Partners (hierna: schuldhulpverlening);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>mevrouw B. de Frel-Houthuizen, werkzaam bij Zekere Zaak </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>(hierna: beoogd beschermingsbewindvoerder);</para>
    <para>- mevrouw mr. drs. C.J.W. Kroon, werkzaam bij Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij tot voor kort in de woning heeft samengewoond met zijn vriendin en hun dochter, maar dat hij daar nu alleen woont. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De huurachterstand is volgens verzoeker onder andere ontstaan door overbesteding en onvoorziene omstandigheden, zoals de reparatiekosten van zijn kapotte auto, die hij voor zijn werk nodig heeft. Schuldhulpverlening heeft daarnaast gesteld dat verzoeker werkt als zelfstandige zonder personeel (hierna: zzp’er) en gemiddeld € 1.250,-- bruto per week verdient. Hij krijgt voldoende opdrachten en heeft een stabiele inkomstenstroom. Verzoeker is volgens schuldhulpverlening niet in staat om zijn financiën te regelen, waardoor er huurachterstanden zijn ontstaan. Daarnaast is verzoeker de Nederlandse taal niet voldoende machtig. Voorts heeft hij geen sociaal netwerk in Nederland dat hem kan helpen met zijn (financiële) administratie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inmiddels is beschermingsbewind aangevraagd. De beoogd beschermingsbewindvoerder verwacht eind september 2021 de beschikking te ontvangen. Op dit moment heeft de beoogd beschermingsbewindvoerder nog geen bevoegdheden. Verzoeker dient zelf de huur over te maken totdat beschermingsbewind is uitgesproken. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij na de zitting de helft van de huur van de maand augustus 2021 kan overmaken en dat hij vóór 1 september 2021 de huur voor de maand september 2021 zal voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zodra beschermingsbewind is opgestart en de financiële situatie van verzoeker stabiel is, zal het minnelijk schuldhulpverleningstraject worden opgestart. Schuldhulpverlening heeft voor het minnelijk schuldhulpverleningstraject al diverse voorbereidingshandelingen getroffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de contacten met schuldhulpverlening en ter zitting heeft verweerster aangevoerd dat er eerder een verstekvonnis is gewezen vanwege het laten ontstaan van huurachterstanden door verzoeker. Verzoeker betaalt al maanden de lopende huurtermijnen niet, hierdoor is verweerster het vertrouwen in verzoeker kwijtgeraakt. Verweerster wenst over te gaan tot ontruiming van het gehuurde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft na de zitting aan de rechtbank bericht dat verzoeker de helft van de huur van augustus 2021 heeft betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 juni 2021 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 28 juli 2021 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 mei 2021 ten uitvoer kan leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker werkt als zzp’er en verdient gemiddeld € 1.250,-- bruto per week. Verzoeker heeft inmiddels de helft van de huur van augustus 2021 betaald. Daarnaast heeft verzoeker toegezegd de huur van september 2021 uiterlijk op 1 september 2021 te betalen. De rechtbank merkt op dat ondanks het feit dat het beschermingsbewind nog niet officieel is uitgesproken, de beoogd beschermingsbewindvoerder reeds nauw betrokken is bij verzoeker. De verwachting is dat de situatie van verzoeker zich de komende periode verder zal stabiliseren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Schuldhulpverlening is betrokken en heeft reeds de nodige werkzaamheden verricht om ervoor zorg te dragen dat het minnelijk traject binnen de duur van de verzochte voorziening kan worden doorlopen en er een aanbod voor een schuldenregeling kan worden gedaan aan de schuldeisers. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 mei 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; </para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;</para>
    <para />
    <para>- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. A.A. Dadzie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2021. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>