<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:8741</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-07T10:07:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/321599-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8741">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8741</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-07T10:04:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:8741 Rechtbank Rotterdam , 26-08-2021 / 10/321599-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:8741:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontvankelijkheid van de officier van justitie. Vrijspraak van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige wegens te weinig bewijs. Benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:8741:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/321599-20</para>
      <para>Datum uitspraak: 26 augustus 2021</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , </para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres </para>
      <para>
        [adres verdachte] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para>Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus 2021.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Tenlastelegging</title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Eis officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bewezenverklaring van het ten laste gelegde;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4. </nr>Ontvankelijkheid officier van justitie</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>Aangevoerd is dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat het hoorrecht ex artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering (<emphasis role="italic">hierna: Sv</emphasis>) is geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten het slachtoffer [naam slachtoffer] te horen en daardoor is niet bekend wat de wens van het minderjarige slachtoffer is ten aanzien van de vervolging van de verdachte. Er is derhalve niet voldaan aan de inspanningsverplichting die uit artikel 167a Sv volgt, wat dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De hoorplicht van artikel 167a Sv geldt enkel ten aanzien van minderjarige slachtoffers die ten tijde van het gepleegde misdrijf 12 jaar of ouder zijn. Uit het procesdossier blijkt echter dat [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007) in 2017 jonger was dan 12 jaar.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie is ontvankelijk.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5. </nr>Waardering van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>5.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van de verdachte is ongeloofwaardig. Hij heeft zich tijdens de verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris komt de verdachte met de verklaring dat hij met zijn verhaal de betrouwbaarheid van getuige [naam getuige] wilde testen. Aan deze verklaring moet weinig waarde worden gehecht. </para>
          <para>
            [naam] , de moeder van [naam slachtoffer] , heeft wel van meet af aan uitgebreid verklaard. Zij is door getuige [naam getuige] geconfronteerd met de geluidsopname, waarna zij met haar zoon het gesprek is aangegaan. Hij heeft daarop aan haar verteld wat er is gebeurd. </para>
          <para>Daarnaast is er de getuigenverklaring van [naam getuige] . Hij heeft bij de politie uitgebreid verklaard wat de verdachte hem allemaal in vertrouwen heeft verteld. De geluidsopname van dit gesprek zit ook in het procesdossier. Ook zit de vertaling van hetgeen wordt gezegd op de video-opname in het dossier. De verdachte wil ter zitting geen toelichting geven op hetgeen hij tijdens deze opname heeft gezegd. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
          </para>
          <para>De onderhavige zaak betreft de verdenking van een zedenmisdrijf met een minderjarige. De vraag of is voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich in de rechtspraktijk niet zelden juist bij misbruikzaken voor. Dat wekt geen verwondering. Het gaat daarbij immers veelal om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en waarbij het in de kern dus gaat om het woord van het slachtoffer tegen dat van de verdachte. </para>
          <para>Getuige [naam getuige] (verder: [naam getuige] ) heeft begin januari 2020 een gesprek met de verdachte gevoerd, waarin de verdachte gezegd zou hebben dat hij [naam slachtoffer] in 2017 betast en gezoend heeft. Dit gesprek is door [naam getuige] opgenomen. De moeder van [naam slachtoffer] , [naam] (verder: [naam] ), heeft op 15 januari 2020 dit geluidsfragment te horen gekregen. [naam] is, nadat zij dit fragment gehoord heeft, nog dezelfde avond met [naam slachtoffer] in gesprek gegaan. [naam slachtoffer] zou toen alles direct verteld hebben. Onbekend is echter hoe dit gesprek is verlopen, welke informatie is uitgewisseld en daarmee - in het verlengde daarvan - hoe de verklaring van [naam slachtoffer] tot stand is gekomen (de zogenaamde “disclosure”). Dit geldt temeer nu [naam] naderhand heeft verklaard dat zij er <emphasis role="underline">gedurende enkele weken</emphasis> bij [naam slachtoffer] op terug is gekomen en dat hij toen steeds meer heeft verklaard. [naam] heeft ook niet toegestaan dat [naam slachtoffer] nader kon worden gehoord. </para>
          <para>De verklaring van [naam] is bovendien een ‘de-auditu’ (van-horen-zeggen) verklaring, waarvan de uiteindelijke bron [naam getuige] is. De verklaring van [naam] geeft om de genoemde redenen onvoldoende steun aan de verklaring van [naam getuige] , terwijl het dossier ook overigens geen bewijs bevat dat die verklaring in voldoende mate ondersteunt.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
          </para>
          <para>Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6. </nr>Vordering benadeelde partij</title>
    <para>Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €17.500,00 aan immateriële schade.</para>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7. </nr>Bijlage</title>
    <para>De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8. </nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. F.W.H. van den Emster, voorzitter,</para>
      <para>en mr. R. Brand en mr. A.M.J. van Buchem-Spapens, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. T.W. Veldhoen-Flier, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
      <para>Bijlage I </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tekst tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij </para>
      <para>op een of meer tijdstip(pen) </para>
      <para>in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 t/m 31 december 2017 te Rotterdam, </para>
      <para>althans in Nederland </para>
      <para>met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, en met de aan zijn, verdachtes, </para>
      <para>zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer] </para>
      <para>(geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007), meermalen, althans eenmaal, (telkens) buiten echt een </para>
      <para>of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het </para>
    </parablock>
    <para>- betasten van de penis van die [naam slachtoffer] en/of </para>
    <para>- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer] en/of </para>
    <para>- ( tong)zoenen van/met die [naam slachtoffer] ; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>( art 247 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht )</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>