<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:7611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-17T11:34:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9117708 CV EXPL 21-1419</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:7611">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:7611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-17T11:33:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:7611 Rechtbank Rotterdam , 05-08-2021 / 9117708 CV EXPL 21-1419</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:7611:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering betaling nog openstaande facturen ontbonden energiecontract. Ongedaanmakingsverplichting art. 6:271 BW. Vordering niet betwist. Toewijsbaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:7611:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9117708 CV EXPL 21-1419</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 5 augustus 2021 (bij vervroeging)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<?linebreak?><emphasis role="bold">ENGIE NEDERLAND RETAIL B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Zwolle,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BABYLON II B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Dordrecht,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>verschenen bij: [naam 1] en [naam 2].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna ‘Engie’ en ‘Babylon’ genoemd worden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van Engie van 19 maart 2021, met producties;</para>
      <para>- de brief van Babylon van 5 april 2021;</para>
      <para>- de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Babylon heeft bij Engie een energiecontract (hierna: de overeenkomst) afgesloten voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 voor de levering van gas en elektriciteit.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Engie heeft de overeenkomst per brief van 4 december 2019 ontbonden, omdat Babylon niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed. Engie heeft nog gas en elektriciteit geleverd tot en met 10 januari 2020. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Engie vordert dat Babylon wordt veroordeeld bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot: </para>
        <para>- betaling aan Engie van € 7.029,66, waarvan € 5.736,70 aan hoofdsom, € 661,84 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 631,12 aan wettelijke handelsrente tot 12 maart 2021, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 5.736,70 vanaf 12 maart 2021 tot de dag der algehele voldoening;<?linebreak?>- betaling aan Engie van de kosten van de procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Aan haar vordering legt Engie het volgende ten grondslag. De voorschotnota’s van november 2019 en december 2019 van beide € 1.160,- heeft Babylon niet betaald. Er is een jaarafrekening 2019 van € 2.892,96 en een eindafrekening voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 10 januari 2021 van € 523,74 gestuurd. Ook deze facturen heeft Babylon niet betaald. Engie vordert nakoming van de overeenkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Babylon heeft op de zitting van 23 juli 2021 mondeling verweer gevoerd. Babylon betwist de door Engie gestelde betalingsverplichting niet, maar geeft aan de vordering niet te kunnen betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vordering hoofdsom en wettelijke handelsrente</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Door ontbinding van de overeenkomst nemen de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen een einde en kan geen nakoming meer worden gevorderd, ook niet van verbintenissen die al vóór de ontbinding dienden te worden nagekomen.<footnote-ref linkend="_f461324e-4816-4da1-8bad-811f20b28c2c" /> Artikel 6:271 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat na ontbinding voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaat. Artikel 6:272 lid 1 BW bepaalt dat wanneer de aard van de prestatie uitsluit dat de prestatie ongedaan wordt gemaakt, zoals het geval is bij de levering van energie, daarvoor een vergoeding in de plaats treedt ten belopen van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst. Deze waarde is gelijk aan de gefactureerde hoofdsom van Engie, namelijk € 5.736,70. De vordering van Engie zal daarom worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Engie heeft de wettelijke handelsrente gevorderd over de hoofdsom vanaf de dag na de uiterste dag van betaling tot de dag van algehele voldoening. Deze vordering zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Engie maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Engie heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Babylon wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Engie worden begroot op:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Deurwaarderskosten	€ 90,62</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Griffierecht		€ 507,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Salaris gemachtigde 	<emphasis role="underline">€ 622,- (2 punten x € 311,-) </emphasis></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>Totaal			€ 1.219,62 <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat Babylon, ook indien een van de partijen hoger beroep instelt, aan dit vonnis moet voldoen totdat een rechter in hoger beroep een andere uitspraak heeft gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Babylon om aan Engie te betalen € 7.029,66, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.736,70 vanaf 12 maart 2021 tot de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Babylon in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Engie vastgesteld op € 1.219,62;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R. van den Wildenberg en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.</para>
      <para>48996</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f461324e-4816-4da1-8bad-811f20b28c2c" label="1">
    <para> HR 5 oktober 2012, <emphasis role="italic">LJN</emphasis> BW8307, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/584 (Tyco/Delata)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>