<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-28T12:00:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9080452</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6992">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-27T14:41:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6992 Rechtbank Rotterdam , 23-07-2021 / 9080452</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6992:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overeenkomstenrecht. Overgestapt van energieleverancier in de Mediamarkt. Verjaring. Dwaling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6992:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9080452 CV EXPL 21-9652</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 23 juli 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<emphasis role="bold"> Nutsservices B.V.</emphasis>,</para>
      <para>handelend onder de naam <emphasis role="underline">Budgetenergie</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: De Schout Gerechtsdeurwaarders te Hilversum,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde] , </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B.V. Rafaela te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘Budgetenergie’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennisgenomen van: </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding van 5 maart 2021; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord van 20 april 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis van 3 mei 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de op 25 juni 2021 ontvangen akte van Budgetservices; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de op 7 juli 2021 ontvangen antwoordakte van [gedaagde] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de door partijen ingediende stukken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 12 juli 2021.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De feiten</title>
    <para>De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [gedaagde] is op 27 augustus 2018 in de Mediamarkt in Rotterdam met Budgetenergie een overeenkomst tot levering van gas en elektriciteit aangegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De overeenkomst is aangegaan voor de periode tussen 9 februari 2019 en 9 februari 2022. Budgetenergie heeft op 12 februari 2019, 1 maart 2019 en 1 april 2019 € 156,00 bij [gedaagde] in rekening gebracht, als voorschotbedrag, in totaal dus € 468,00. [gedaagde] heeft deze facturen niet betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De overeenkomst is op 27 maart 2019 op verzoek van [gedaagde] beëindigd. Budgetenergie heeft op 25 april 2019 de eindnota opgemaakt. In deze eindnota wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde] € 468,00 aan voorschotten heeft betaald, wat hij dus niet heeft gedaan, en de nota sluit dan op een door [gedaagde] te ontvangen bedrag van € 53,44.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3.</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Budgetenergie vordert [gedaagde] ertoe te veroordelen de onder 2.2 genoemde facturen van in totaal € 468,00 te betalen, te verminderen met het positieve saldo van de eindnota van </para>
        <para>€ 53,44, en te vermeerderen met rente, tot en met 22 februari 2021 een bedrag van € 14,16, en € 62,18 aan buitengerechtelijke incassokosten, bij elkaar dus € 490,90.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer tegen de vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee Budgetenergie en [gedaagde] de vordering en het verweer daartegen onderbouwen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">verjaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De vordering van Budgetenergie is anders dan [gedaagde] primair aanvoert niet verjaard. Los van de vraag wanneer de verjaringstermijn precies gaat lopen in dit geval, vanaf de datum van de voorschotnota’s of vanaf de datum van de eindnota: [gedaagde] erkent de sommatiebrief van 10 september 2019 ontvangen te hebben. Deze brief stuit de verjaringstermijn en de termijn van twee jaar, die op dat moment opnieuw is gaan lopen, was toen de dagvaarding op 5 maart 2021 werd uitgebracht nog niet voorbij.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">dwaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] doet subsidiair een beroep een dwaling. Hij ontkent niet dat hij in de Mediamarkt benaderd is door een medewerker van een energieleverancier maar hij voert aan in de veronderstelling te zijn geweest zijn overeenkomst met Essent te verlengen in plaats van met Budgetenergie een nieuwe overeenkomst aan te gaan. Waarom [gedaagde] in die veronderstelling verkeerde legt hij echter onvoldoende uit. Had de medewerker van Budgetenergie bijvoorbeeld kleding aan die de indruk wekte dat hij van Essent was? [gedaagde] zegt dit niet en uit de voorbeeldfoto die Budgetenergie tijdens de mondelinge behandeling toonde blijkt duidelijk dat het om een balie van Budgetenergie gaat, die blijkbaar in de verkoopruimte van de Mediamarkt staat. [gedaagde] voert aan dat al zijn gegevens al bekend waren bij de medewerker en dat hij (ook) daarom dacht met Essent van doen te hebben. Deze stelling is echter in strijd met de mededeling van [gedaagde] dat hij zijn bankpas en zijn rijbewijs aan de medewerker heeft laten zien. Als de gegevens immers al bekend waren, wat viel er voor de medewerker dan nog te zien aan de bankpas en het rijbewijs? Dat [gedaagde] in de maanden na het aangaan van de overeenkomst (in augustus 2018) nog steeds aan Essent betaalde, is ook niet gek: de overeenkomst met Budgetenergie zou immers pas op 9 februari 2019 ingaan. Tot slot kan niet onvermeld blijven de voucher van € 150,00 die [gedaagde] heeft gekregen, als nieuwe klant van Budgetenergie, en die hij meteen heeft gebruikt bij de aankoop van nieuwe telefoon. Budgetenergie ‘lokt’ met dit cadeau een nieuwe klant. Waarom [gedaagde] dacht dat Essent hem als bestaande klant een cadeau van € 150,00 zou geven legt hij niet uit. Het beroep op dwaling slaagt niet omdat op geen enkele wijze wordt onderbouwd dat Budgetenergie verantwoordelijk gehouden kan worden voor de door [gedaagde] gestelde verkeerde voorstelling van zaken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">e-mailadres en algemene voorwaarden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft dus gecontracteerd met Budgetenergie. Zij zouden zorgen voor de overstap van zijn oude energieleverancier naar de nieuwe. Budgetenergie heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd met de bevestiging van zijn aanmelding. Na ontvangst van deze ‘welkomstmail’ had [gedaagde] veertien dagen de tijd om alsnog van de overstap af te zien. [gedaagde] voert aan niets ontvangen te hebben maar de kantonrechter moet ervan uitgaan dat [gedaagde] zelf het in de overeenkomst genoemde e-mailadres heeft opgegeven. Een ander oordeel zou immers betekenen dat Budgetenergie dit e-mailadres om welke reden dan ook zelf verzonnen heeft, maar de kantonrechter heeft geen enkele aanwijzing om te denken dat dit zo is en [gedaagde] voert ook niet aan welk belang Budgetenergie erbij zou hebben om een e-mailadres te verzinnen. Dat [gedaagde] geen verstand van e-mail (bij Proton) heeft kan hij stellen, maar valt niet te controleren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Als [gedaagde] brieven en nota’s, waaronder de welkomstmail met een link naar de algemene voorwaarden, niet heeft ontvangen omdat het opgegeven e-mailadres niet zijn e-mailadres is, komt dit voor zijn rekening. Budgetenergie kan er immers ook niets aan doen als een (nieuwe) klant een verkeerd e-mailadres opgeeft. De algemene voorwaarden zijn dan ook van toepassing. [gedaagde] betwistte tijdens de mondelinge behandeling overigens nog dat het zijn handtekening is die onder de overeenkomst staat, maar dit verweer voert hij te laat. Het had in zijn conclusie van antwoord moeten staan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">eindnota 25 april 2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert niet aan dat de eindnota in strijd is met iets dat in de overeenkomst of in de algemene voorwaarden staat, zij het dat hij in twijfel trekt of Budgetenergie wat de voucher betreft daadwerkelijk € 100,00 aan Mediamarkt heeft betaald. Dit is echter niet van belang. Feit is immers dat Budgetenergie [gedaagde] een voucher van € 150,00 heeft gegeven met als voorwaarde dat [gedaagde] drie jaar klant zou blijven bij Budgetenergie. [gedaagde] heeft de overeenkomst echter na nog geen twee maanden alweer beëindigd. Het is niet meer dan redelijk dat [gedaagde] de ontvangen voucher dan (gedeeltelijk) terugbetaalt. Als het, zoals [gedaagde] nog aanvoert of in ieder geval suggereert in zijn conclusie van antwoord, zo is dat Budgetenergie in haar eindnota uitgaat van de verkeerde meterstanden, had [gedaagde] moeten meedelen wat dan de juiste meterstanden zijn. Dit doet hij niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Nu er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de eindnota van 25 april 2019 zal conform die eindnota gehandeld moeten worden. Dit betekent dat [gedaagde] nog € 414,56 aan Budgetenergie moet betalen (3 x € 168,00 - € 53,44). De rente die Budgetenergie vordert is ook toewijsbaar en dit geldt ook voor de buitengerechtelijke incassokosten. De ‘veertiendagen-e-mail’ van 1 mei 2019 (de laatste bijlage bij de dagvaarding) voldoet immers aan de voorwaarden die aan de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten worden gesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten van de procedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>
        [gedaagde] is de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Dit vonnis wordt zoals Budgetenergie vordert ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] direct aan de veroordeling moet voldoen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [gedaagde] om € 490,90 aan Budgetenergie te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over € 414,56 vanaf 23 februari 2021 tot aan de dag van de algehele betaling;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van Budgetenergie vastgesteld op € 89,44 aan kosten voor de dagvaarding, € 126,00 aan griffierecht en € 150,00 aan salaris voor haar gemachtigde (2 punten van </para>
    <para>€ 75,00 per punt) en voor het geval [gedaagde] niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis vrijwillig aan de veroordelingen voldoet, begroot op € 37,50 aan nasalaris, te vermeerderen met betekeningskosten als betekening van dit vonnis plaatsvindt;</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>686</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>