<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-28T12:00:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8671785</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6974">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-27T13:35:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6974 Rechtbank Rotterdam , 23-07-2021 / 8671785</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6974:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overeenkomst. Facturen niet betaald. Beroep op verrekening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6974:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8671785 CV EXPL 20-25951</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 23 juli 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<emphasis role="bold"> [bedrijf A] . </emphasis>,</para>
      <para>handelend onder de naam <emphasis role="underline">[handelsnaam A]</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats A] ,</para>
      <para>eiseres in conventie, verweerster in reconventie, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M. de Groot te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr> [bedrijf B] ,</title>
    <parablock>
      <para>	gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">en haar maten:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>   <emphasis role="bold">[bedrijf B1]</emphasis> ,</para>
    <para>	           gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3 . de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>       <emphasis role="bold">[bedrijf B2]</emphasis>       ,</para>
    <parablock>
      <para>	    gevestigd   te   [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>	  gedaagden in   conventie, eisers in reconventie,</para>
      <para>	gemachtigde: mr. M. Hoogenboom te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres wordt hierna ‘ [bedrijf A] ’ genoemd; gedaagden gezamenlijk ‘ [bedrijf B] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennisgenomen van: </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding van 17 juli 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>van 22 september 2020;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord in reconventie van 20 oktober 2020 (die ook als een conclusie van repliek in conventie aangemerkt kan worden);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>van 15 december 2020;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de conclusie van dupliek in reconventie van 12 januari 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de door partijen overgelegde stukken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis van 3 mei 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 8 juli 2021.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De feiten</title>
    <para>De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:</para>
    <para>2.1</para>
    <paragroup>
      <para>
        [bedrijf A] houdt zich bezig met informatietechnologie, met de advisering en ondersteuning op dat gebied. [bedrijf B] is   onder andere   hulpverlener op psycho-medisch gebied.</para>
      <para />
      <para>2.2.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        [bedrijf A] heeft bij [bedrijf B] in   rekening gebracht:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Factuurnummer   Factuurdatum Factuurbedrag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	1.	2903697		13-09-2018		€ 1.588,45</para>
        <para>	2.	2969344		19-10-2018		€ 1.604,19</para>
        <para>	3.	2997020		14-11-2018		€ 1.604,19</para>
        <para>	4.	3005106		18-12-2018		€ 4.628,25</para>
        <para>	5.	3022447		28-03-2019		€ 4.251,37</para>
        <para>	6.	3057820		28-03-2019		€ 1.741,29</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [bedrijf B] heeft   de genoemde facturen, het gaat in totaal om € 15.417,74, niet betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [bedrijf B] heeft   de overeenkomst met [bedrijf A] opgezegd     tegen 1 januari 2019. Tussen partijen is in november 2018 een geschil ontstaan nadat, kort gezegd, [bedrijf B] in   één keer al haar data uit de   door haar gebruikte, door [bedrijf A] ontwikkelde   applicatie (Careweb), heeft gehaald (heeft ‘ gemigreerd ’naar een applicatie van een derde partij) waarna [bedrijf A] ,   omdat zij dacht dat er sprake was van een   datalek, de toegang tot die applicatie elf dagen geblokkeerd heeft voor [bedrijf B] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3.</nr> Het geschil (in conventie en in reconventie)</title>
    <paragroup>
      <nr> 3.1</nr>
      <para>
        [bedrijf A] vordert in conventie veroordeling van [bedrijf B] tot   betaling van de onder 2.2 genoemde facturen van in   totaal € 15.417,74, met rente en € 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [bedrijf B] stelt   in reconventie schade te hebben geleden doordat [bedrijf A] haar   de toegang   tot de applicatie elf dagen heeft ontzegd. De schade bestaat uit € 7.260,00 aan kosten voor een externe deskundige, € 2.160,00 aan het inzetten van personeel, € 6.037,72 aan juridische kosten en € 91.200,00 aan, kort gezegd, omzetderving. [bedrijf B] vordert   veroordeling van [bedrijf A] om   van deze schade van in totaal € 106.657 , 72, € 25.000, 00 aan haar te betalen, om de kantonrechter bevoegd te houden, maar behoudt zich het recht op een dag het meerdere te vorderen uitdrukkelijk voor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [bedrijf B] vordert   in reconventie ook voor recht te verklaren dat [bedrijf A] haar   niet mocht afsluiten van Careweb   en voor recht te verklaren dat [bedrijf B] recht   heeft op de   betaling van € 5.000,00 die in depot staat. </para>
      <para>3.4</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        [bedrijf A] en [bedrijf B] voeren   verweer tegen elkaars vorderingen. Voor zover van belang voor de beoordeling, wordt hierna ingegaan op de stellingen   waarmee de vorderingen en het verweer daartegen worden onderbouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overeenkomst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Een gedaagde moet al zijn verweren in de conclusie van antwoord aanvoeren. Daar komt artikel 128 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op neer. In de conclusie van antwoord betwist [bedrijf B] dat   zij een overeenkomst met [bedrijf A] heeft   gesloten. Een overeenkomst die niet is gesloten hoeft echter niet opgezegd te worden en dat, het opzeggen van een   overeenkomst, is wel wat [bedrijf B] in   2018 heeft gedaan. Aan dit verweer van [bedrijf B] wordt   daarom voorbijgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Wat [bedrijf B] onder   de nummers 2, 3 en 4 van haar conclusie van dupliek naar voren brengt over de   ontvankelijkheid van [bedrijf A] en   over het al dan niet van toepassing zijn van de voorwaarden kan gelet op het genoemde artikel 128 Rv buiten beschouwing blijven. [bedrijf B] had   deze verweren in haar conclusie van antwoord naar voren moeten (en ook kunnen, [bedrijf A] neemt   in haar conclusie van repliek geen stellingen in die   niet staan in de dagvaarding) brengen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De kantonrechter behandelt en beslist zaken waarin het om een vordering van maximaal € 25.000,00 gaat, tenzij de rechtstitel die € 25.000,00 te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist, aldus artikel 93 aanhef en onder a Rv. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        [bedrijf B] beperkt   haar vordering in reconventie weliswaar tot € 25.000,00, maar zij lijdt naar zij stelt eigenlijk € 106.657,72 aan schade doordat [bedrijf A] volgens   haar toerekenbaar tekort is geschoten in de tussen partijen gesloten overeenkomst door haar de toegang tot Careweb te ontzeggen. [bedrijf A] betwist   echter toerekenbaar tekortgeschoten te zijn. [bedrijf A]   betwist   met andere woorden de rechtstitel (wanprestatie, artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW)) waarop [bedrijf B] zich   beroept. Dit betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen   van de vordering van [bedrijf B] .   Dit geldt voor zowel de vordering tot betaling van € 25.000, 00 als de gevorderde verklaringen voor recht. Deze verklaringen voor recht vertegenwoordigen immers een waarde en het totaal van alles wat in reconventie wordt gevorderd gaat de € 25.000,00 te boven.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Het voorgaande was anders geweest als [bedrijf B] bij   het beperken van haar vordering tot € 25.000,00 uitdrukkelijk afstand had gedaan van haar (eventuele) recht op het meerdere. Dat heeft zij echter niet gedaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De kantonrechter is niet bevoegd kennis te nemen van de vordering in reconventie. Het komt in deze procedure dus niet tot verrekening met in reconventie toe te wijzen bedragen. In conventie moet beoordeeld worden of [bedrijf B] de   onder 2.2 genoemde facturen al dan niet moet betalen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <paragroup>
      <para>4.7</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        [bedrijf A] brengt met de facturen van 13 september 2018, 19 oktober 2018 en 14 november 2018 ‘abonnementsgeld’ voor september, oktober en november 2018 in rekening. [bedrijf B] heeft   in die maanden, op basis van een overeenkomst, gebruik gemaakt van Careweb en zij moet deze facturen daarom aan [bedrijf A] betalen . Het gaat om een bedrag van € 4.796,83.</para>
      <para />
      <para>4.8</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        [bedrijf A] brengt   met de factuur van 18 december 2018 € 4.628,25 aan analysekosten bij [bedrijf B] in   rekening. De vordering tot veroordeling van [bedrijf B] tot   betaling van deze nota is echter niet toewijsbaar. Los van de vraag of [bedrijf B] contractueel   gehouden is dergelijke kosten aan [bedrijf A] te   betalen: [bedrijf A] onderbouwt   niet hoe het bedrag dat zij bij [bedrijf B] in   rekening brengt   tot stand is gekomen. In de factuur staat slechts dat 25,5 uur in rekening is   gebracht (en dat komt dan neer op € 150,00 per uur , exclusief omzetbelasting), maar waar dit uurtarief op gebaseerd is en, belangrijker nog, wat er in die 25,5 uur dan precies gedaan is, blijkt niet. [bedrijf A] biedt   weliswaar aan een nadere onderbouwing te geven maar dat had in dit stadium van de procedure al gebeurd moeten zijn, in ieder geval in grote lijnen. Dat is niet gebeurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <parablock>
        <para>De factuur van 28 maart 2019 van € 4.251,37   is deels wel (€ 1.671,05) en deels niet </para>
        <para>(€ 2.580,32) toewijsbaar. Het wel toewijsbare gedeelte ziet op ‘abonnementsgeld’ voor het gebruik van Careweb voor december 2018, de maand voordat de overeenkomst per 1 januari 2019 zou eindigen. De kantonrechter ziet niet in waarom [bedrijf B] deze   kosten niet hoeft te betalen. Voor het niet toewijsbare gedeelte (‘Helpdesk en Support november 2018’) geldt net als hiervoor overwogen over de factuur van 18 december 2018 dat onvoldoende onderbouwd is waaruit dit bedrag precies bestaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>
        [bedrijf B] hoeft   de factuur van 28 maart 2019 van € 1.741,29 niet te betalen. Deze nota ziet immers (op € 117,92 aan niet onderbouwde kosten voor Helpdesk en Support in december 2018 na) op gebruik door [bedrijf B] van   Careweb na 1 januari 2019, de datum waartegen [bedrijf B] de   overeenkomst met [bedrijf A] heeft   opgezegd. Er is met andere woorden geen rechtsgrond (een overeenkomst) op grond waarvan [bedrijf B] deze   facturen aan [bedrijf A] moet   betalen. Als [bedrijf A] [bedrijf B]   per   1 januari 2019 niet afgesloten heeft van Careweb en [bedrijf B] gebruik   kon blijven maken van Careweb , komt dit voor rekening van [bedrijf A] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>In totaal is € 6.467,88 aan openstaande facturen toewijsbaar. De wettelijke handelsrente hierover   is, zoals [bedrijf A] vordert , toewijsbaar vanaf veertien dagen na   de dagtekening   van de facturen. Het toewijsbare bedrag rechtvaardigt een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 698,39 (in plaats van de gevorderde € 875,00 ) .</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten van de procedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4.12</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr> </nr>
      <para>
        [bedrijf A] en [bedrijf B] zijn   allebei deels in het (on)gelijk gesteld. De kantonrechter ziet daarin   aanleiding te bepalen dat ieder van hen de eigen kosten van de procedure draagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Dit vonnis wordt zoals [bedrijf A] vordert   ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis, [bedrijf B] in   de tussentijd wel alvast aan de veroordeling moet voldoen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ten slotte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>Een van de conclusies van de mondelinge behandeling van deze zaak is dat het beide partijen niet (voornamelijk) om het geld gaat,   maar om het principe. Het is voor [bedrijf A]  van   belang dat zorgvuldig omgegaan wordt met gegevensverwerking en mogelijke datalekken worden voorkomen . [bedrijf B] benadrukt   het  belang dat zij te allen tijde toegang heeft tot de (medische) gegevens van haar cliënten. Vastgesteld kan worden dat er wat dat betreft geen ongelukken zijn gebeurd. Het geschil tussen partijen is het gevolg van  groeiend wantrouwen van de een in de ander met als gevolg miscommunicatie en uiteindelijk helemaal geen communicatie meer. Beide partijen valt daarin wel iets te verwijten. [bedrijf A] had   bijvoorbeeld helderder kunnen zijn in haar communicatie over de datamigratie en [bedrijf B] had   welwillender tegenover het verzoek om informatie van [bedrijf A] kunnen   staan. Een uitspraak over principes, als (daarover) verder zou worden geprocedeerd, verandert daar weinig meer aan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <para>- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering in reconventie;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [bedrijf B] in   conventie om € 7.166,27 aan [bedrijf A] te   betalen, te   vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6 : 119a BW vanaf  veertien dagen na de dagtekening van de van de in dit bedrag begrepen facturen (van in totaal € 6.467,88) tot aan de dag van de algehele betaling (en over het desbetreffende factuurbedrag);</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten van de procedure draagt;</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders in conventie gevorderde af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>686</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>