<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-28T12:00:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9127425</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6885">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-22T11:16:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6885 Rechtbank Rotterdam , 23-07-2021 / 9127425</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6885:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesrecht. Bevoegdheid kantonrechter. Aardvordering en andere vorderingen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6885:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9127425 CV EXPL 21-12094</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 23 juli 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<emphasis role="bold"> BackWerk NL B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Venlo, </para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, </para>
      <para>gemachtigde: mr. J.H. Kolenbrander te Leiden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>de vennootschap onder firma [bedrijf A] ,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [plaats A] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">en haar vennoten:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">2</emphasis>.	<emphasis role="bold">[persoon A1]</emphasis>,</para>
    <para>	wonende te [woonplaats A1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3</emphasis>.	<emphasis role="bold">[persoon A2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>	wonende te [woonplaats A2] ,</para>
      <para>	gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,</para>
      <para>	gemachtigde: mr. C.M. Kan te Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘BackWerk’ en ‘ [bedrijf A] ’ (gedaagden gezamenlijk, in enkelvoud) genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennisgenomen van: </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding met producties van 24 maart 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van eis in het bevoegdheidsincident van [bedrijf A] van 18 mei 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van BackWerk van 15 juni 2021.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>Het geschil (in het incident) </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>BackWerk stelt op grond van franchise-, onderhuur- en koopovereenkomsten diverse goederen en diensten geleverd te hebben aan [bedrijf A] . [bedrijf A] heeft deze facturen tot een bedrag van € 796.133,38 niet betaald., aldus BackWerk. BackWerk vordert in de hoofdzaak veroordeling van [bedrijf A] tot betaling van deze facturen en tot terugbetaling van een geldlening van € 160.000,00, naast verschillende kosten en een verklaring voor recht over de geldleenovereenkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [bedrijf A] stelt in het incident primair dat BackWerk niet-ontvankelijk is omdat eerst mediation geprobeerd moet worden, en subsidiair dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van BackWerk. [bedrijf A] vraagt meer subsidiair om verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>BackWerk voert verweer in het incident. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">primair: mediation</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het uitgangspunt is, [bedrijf A] schrijft het ook onder nummer 6 van haar conclusie van eis in het incident, dat een overeengekomen mediationclausule er niet aan in de weg staat dat van mediation afgezien kan worden als er geen bereidheid is bij een van partijen om mediation te proberen. Als al van dit uitgangspunt afgeweken kan worden, ziet de kantonrechter er in deze zaak geen aanleiding toe dit te doen. BackWerk wenst geen mediation en het staat haar vrij de kwestie aan de rechter voor te leggen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair: bevoegdheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Een deel van de vordering van BackWerk ziet op de betaling van huur en is daarom een aardvordering als bedoeld in artikel 93 aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van aardvorderingen. Als het om meerdere vorderingen gaat, zoals in deze zaak, en één van die vorderingen is een aardvordering, zoals dus in deze zaak, is de kantonrechter op grond van artikel 94 lid 2 Rv bevoegd kennis te nemen van álle vorderingen, als de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. De kantonrechter acht zich in deze zaak op grond van het genoemde artikel bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen van BackWerk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">meer subsidiair: verwijzing naar meervoudige kamer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Als de kantonrechter van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, kan hij de zaak verwijzen naar een meervoudige kamer voor andere dan kantonzaken (artikel 98 Rv). De kantonrechter komt in deze zaak echter niet tot dat oordeel. Het gaat om een groot bedrag dat BackWerk vordert, maar dat maakt een zaak niet per definitie complex. Het standpunt van BackWerk zoals dat in de dagvaarding staat is duidelijk. Voor verwijzing van de zaak bestaat (op dit moment) geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten van de procedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De vorderingen in het incident zijn niet toewijsbaar. [bedrijf A] is dus de in het ongelijk gestelde partij in het incident. Zij wordt veroordeeld in de kosten van het incident.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De kantonrechter verwijst de hoofdzaak naar de rol om [bedrijf A] in de gelegenheid te stellen een conclusie van antwoord te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst de vorderingen van [bedrijf A] af;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [bedrijf A] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de kant van Backwerk vastgesteld op € 1.245,00 aan salaris voor haar gemachtigde;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">dinsdag 24 augustus 2021</emphasis> waar [bedrijf A] een conclusie van antwoord kan nemen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>686</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>