<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6755</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-21T09:13:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/468</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6755">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6755</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-21T09:12:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6755 Rechtbank Rotterdam , 16-07-2021 / ROT 21/468</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6755:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:55 Awb. Beroep op betalingsonmacht is terecht afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden. Verzet is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6755:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/468</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam opposante] , te [plaats] , opposante,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2021 in het geding tussen opposante en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 18 januari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2021 tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2021 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 4 mei 2021 het beroep van opposante terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De uitspraak van 4 mei 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposante niet in aanmerking kwam voor een beroep op betalingsonmacht. Opposante is vervolgens gewezen op het betalen van het verschuldigde griffierecht en is daarna schriftelijk aangemaand. Naar het oordeel van de rechtbank kon redelijkerwijs worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest omdat zij het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Opposante heeft in verzet aangevoerd dat zij niet in staat is om het griffierecht te betalen omdat zij een uitkering ontvangt op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het wettelijk kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Uit het bepaalde in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb volgt dat door de griffier van de indiener van het beroepschrift griffierecht wordt geheven. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep, indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De verzetrechter stelt vast dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen omdat zij bij het instellen van het beroep niet voldeed aan de daarvoor gestelde vereisten die golden ten tijde van het instellen van beroep. Om voor een beroep op betalingsonmacht in aanmerking te komen dient het (gezamenlijke) netto-inkomen niet hoger te zijn dan 90% van een maximale bijstandsuitkering (€953,12). Opossante had netto een hoger inkomen, zoals blijkt uit de specificatie van de Sociale verzekeringsbank (€1016,66). Het beroep op betalingsonmacht is schriftelijk afgewezen en aan opposante is op 27 januari 2021 een nota griffierecht verstuurd. Op 25 februari 2021 is een aangetekende herinnering aan opposante verstuurd omdat uit de administratie is gebleken dat het verschuldigde griffierecht nog niet voldaan was. Opposante heeft het verschuldigde griffierecht van € 49,- niet voldaan.</para>
    <para>Wat opposante in verzet heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel over de vraag of het verzuim verschoonbaar is. Opposante heeft in verzet niet met (nadere) stukken aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van een beroep op betalingsonmacht. De rechtbank heeft daarom in de uitspraak van 4 mei 2021 terecht geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen.</para>
    <para />
    <para>6. Om deze reden is het verzet ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is buiten staat				De rechter is verhinderd te tekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>