<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T10:29:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">83/293035-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6606">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T10:24:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6606 Rechtbank Rotterdam , 02-07-2021 / 83/293035-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6606:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 552a Sv. Beslag is gelegd onder de verdachte in het kader van een tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek. De klaagster is een kredietgever die met de verdachte als kredietnemer en de leverancier van de auto een financial leaseovereenkomst heeft gesloten. In die overeenkomst staat dat de klaagster de juridische eigenaar is van de auto en dat zij een groot deel van de koopsom van de auto als krediet aan de leverancier betaalt. Vaststaat dat die betaling is gedaan. De klaagster stelt zich op het standpunt dat zij rechthebbende is en dat de auto aan haar moet worden teruggeven. Het openbaar ministerie heeft zich daar tegen verzet op basis van een uitgebreid betoog. De rechtbank verwerpt dat betoog als volgt. Daargelaten dat de onderhavige procedure vanwege het summiere karakter niet de aangewezen plek is om een dergelijk, hoofdzakelijk, civielrechtelijk betoog te voeren, dat op de houdbaarheid van dit betoog overigens het nodige is af te dingen en dat het zonder onderbouwing, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe een eventuele verbeurdverklaring van de auto in de strafzaak tegen de verdachte zich verhoudt tot de € 30.000,- die de klaagster aan de leverancier van de auto heeft betaald, is de vraag die voorligt of de klaagster redelijkerwijze als rechthebbende is aan te merken. Alleen al gelet op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Het is dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de auto door de later inhoudelijk oordelend strafrechter verbeurd verklaard zal worden. Dit betekent dat geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. Het klaagschrift is dus gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6606:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>Rechtbank Rotterdam</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 83/293035-20</para>
      <para>Raadkamernummer: 21/930</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking </emphasis>van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het klaagschrift van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam klaagster], klaagster, </emphasis>gevestigd te [vestigingsplaats klaagster],</para>
      <para>gemachtigde mr. P. Zeeman, kantoorhoudende te Harderwijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>Op 14 april 2021 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift is op 18 juni 2021 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. V.A.M.G. van de Bilt, namens de klaagster de heren [naam 1] en </para>
      <para>
        [naam 2] en de gemachtigde zijn gehoord. De belanghebbende [naam 3] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet veerschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para>Op 18 november 2020 is te Dordrecht onder een ander dan de klaagster, te weten [naam 3] (hierna: [naam 3]), beslag gelegd op een personenauto van het merk Landrover Range Rover Evoque met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto). Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv in het kader van de strafzaak tegen [naam 3]. Hij wordt verdacht van witwassen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt klaagster</title>
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift strekt tot teruggave van de auto aan de klaagster van de auto. Daartoe </para>
      <para>is – kort gezegd – aangevoerd dat zij op grond van de op 16 januari 2020 gesloten financial leaseovereenkomst tussen de klaagster als kredietgever, [naam 3] als kredietnemer en de leverancier van de auto [naam bedrijf], juridisch eigenaar van de auto is geworden en dus rechthebbende is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op grond van de goederenrechtelijke bepalingen van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek [naam 3] redelijkerwijs als rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt en dat de overeenkomst van 16 januari 2020 dat niet anders maakt. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling klacht</title>
    <para>Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp geldt de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen, tenzij een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, mag de rechter civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van hem wordt niet verlangd dat hij treedt in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat tussen de klaagster als kredietgever, [naam 3]  als kredietnemer en [naam bedrijf] als leverancier op 16 januari 2020 een financial leaseovereenkomst is gesloten waarin onder meer is opgenomen dat de klaagster de juridische eigenaar is van de auto, dat deze eigendom overgaat op [naam 3] als hij aan al zijn 60 maandelijkse betalingsverplichtingen van in totaal € 36.158,- heeft voldaan en dat de klaagster € 30.000,- van de aankoopsom (van € 36.000,-) aan de leverancier betaalt. Ook staat vast dat de klaagster op 17 januari 2020 aan die verplichting heeft voldaan en dat de [naam 3] tot op de dag van vandaag nog ruim € 34.000,- aan de klaagster verschuldigd is. Verder heeft de officier van justitie op zitting aangegeven dat niet wordt getwijfeld aan de integriteit van de klaagster en dat zij geen verdachte is in het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 3]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij deze stand van zaken is het de rechtbank niet duidelijk geworden dat en waarom [naam 3], zoals uitgebreid betoogd door het openbaar ministerie, als rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt. Het betoog komt erop neer dat de hiervoor genoemde overeenkomt, die onbetwist door de klaagster als gebruikelijk in de praktijk is aangeduid, geen rechtsgeldige grondslag heeft. Daargelaten dat de onderhavige procedure vanwege het summiere karakter niet de aangewezen plek is om een dergelijk, hoofdzakelijk, civielrechtelijk betoog te voeren, dat op de houdbaarheid van dit betoog overigens het nodige is af te dingen en dat het zonder onderbouwing, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe een eventuele verbeurdverklaring van de auto in de strafzaak tegen [naam 3] zich verhoudt tot de € 30.000,- die de klaagster aan de leverancier van de auto heeft betaald, is de vraag die voorligt of de klaagster redelijkerwijze als rechthebbende is aan te merken. Alleen al gelet op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Het is dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de auto door de later inhoudelijk oordelend strafrechter verbeurd verklaard zal worden. Dit betekent dat geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. Het klaagschrift is dus gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beklag gegrond;</para>
    <para />
    <para>- gelast de teruggave aan de klaagster van de auto van het merk Landrover Range Rover Evoque met kenteken [kentekennummer].</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders, rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening</para>
      <para>daarvan en de klaagster binnen veertien dagen na betekening daarvan cassatie instellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>