<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:6604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:20:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/750348-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6604">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:6604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T09:55:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:6604 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2021 / 10/750348-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:6604:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 325 en 420bis Sr. Vermoeden van het medeplegen van witwassen van een groot geldbedrag. Door verdachte is een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring gegeven, inhoudende dat de medeverdachte een groot geldbedrag heeft geleend bij een Iraakse onderneming. De in dat verband overgelegde leningsovereenkomst is onderzocht. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat de medeverdachte die overeenkomst valselijk heeft opgemaakt. Hierop is geen nadere verklaring gevolgd. Geoordeeld wordt dan ook dat het geld geen legale herkomst heeft en dat dus sprake is van witwassen. Ook bewezenverklaring van valsheid in geschrift, in die zin dat hij de valse overeenkomst als echt en onvervalst heeft gebruikt. Aan verdachte is opgelegd een taakstraf van 200 uren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:6604:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/750348-17</para>
      <para>Datum uitspraak: 8 juli 2021</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , </para>
      <para>feitelijk verblijvende op het adres:</para>
      <para>
        [adres verdachte] ,</para>
      <para>raadsman mr. M.M. Kuyp, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para>Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2021.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Tenlastelegging</title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Eis officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bewezenverklaring van het ten laste gelegde;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4. </nr>Waardering van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewezenverklaring zonder nadere motivering van feit 2 </emphasis>
        </para>
        <para>Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is door de verdediging geen verweer gevoerd. Dit feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewijswaardering feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is, kort samengevat, betoogd dat de geldbedragen niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het bewijsvermoeden zoals dat door het openbaar ministerie is geconstrueerd, is onvoldoende om een veroordeling voor witwassen te kunnen rechtvaardigen. De verklaring die de verdachte heeft afgelegd is concreet en niet op voorhand hoogst onaannemelijk. Subsidiair is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de eerder door de rechtbank toegewezen getuige [naam getuige] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling voorwaardelijk aanhoudingsverzoek</emphasis>
        </para>
        <para>Op de regiezitting van 18 november 2019 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om [naam getuige] als getuige te horen. De rechter-commissaris heeft in een proces-verbaal van 9 maart 2021 geoordeeld dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Daartoe is gerelateerd dat het horen door middel van een videoverbinding niet tot de mogelijkheden behoort, dat meermalen is geprobeerd om de getuige te laten afreizen naar Nederland, dat daarvoor een visum is vereist, dat vanwege de coronasituatie het niet mogelijk is om een visum te verkrijgen en dat het niet de verwachting is dat dit op korte termijn zal veranderen. Door de raadsman is aangevoerd dat de situatie in Irak zodanig is verbeterd dat reizen weer mogelijk is. De daartoe gegeven onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de getuige wel binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De zaak zal daarom niet nogmaals naar de rechter-commissaris worden verwezen voor het horen van de getuige. Het voorwaardelijk verzoek wordt dus afgewezen. De rechtbank zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.    </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling inhoudelijk</emphasis>
        </para>
        <para>De verdachte wordt verdacht van het witwassen van meerdere geldbedragen. Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt, dient als uitgangspunt te worden genomen dat het onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde geldbedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn. Naar vaste rechtspraak kan toch bewezen worden verklaard dat deze voorwerpen “uit enig misdrijf” afkomstig zijn, als op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden geconcludeerd moet worden dat die voorwerpen geen legale herkomst kunnen hebben. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte met zo’n verklaring komt, dan ligt het vervolgens op de weg van de officier van justitie om naar aanleiding daarvan nader onderzoek te doen. Bij het ontbreken van een dergelijke verklaring zal over het algemeen geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde bedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent, dat, zoals ook volgt uit het voorgaande kader, eerst moet worden vastgesteld of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is. In dat verband wordt het volgende overwogen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vast staat dat op de rekening van de verdachte gedurende een korte periode meerdere grote contante geldbedragen zijn gestort. Ook op de rekening van de medeverdachte zijn in diezelfde periode aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Door de verdachte zijn verder in deze periode flinke bedragen op de rekening van de medeverdachte overgemaakt. Vervolgens is door de medeverdachte, kort na die stortingen en overboekingen tussen 26 oktober 2016 en 3 november 2016 in totaal meer dan € 170.000,- overgemaakt naar de rekening van een notaris. De verdachte heeft € 10.000,- aan de notaris overgemaakt. </para>
        <para>Uit onderzoek naar aanleiding van deze geldstromen is gebleken dat deze niet in verhouding staan tot de inkomsten van de verdachten. Verder is gebleken dat de contante stortingen veelal bestaan uit biljetten van € 500,-. Dergelijke biljetten zijn ongebruikelijk in het dagelijkse betalingsverkeer. Ook zijn er aanwijzingen dat de verdachte en de medeverdachte betrokken zijn geweest bij het fysiek vervoer van contant geld, verpakt met chili flakes. Volgens de politie is dat bedoeld om speurhonden te misleiden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Dat betekent dat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld mag worden verwacht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft verklaard dat deze geldbedragen afkomstig zijn van een lening op naam van de medeverdachte afgesloten bij een bedrijf in Irak, de [naam bedrijf] . Hij heeft dit geld vanuit Irak in delen naar Nederland laten vervoeren. Vervolgens is het bedrag in delen gestort op de bankrekeningen van hem en de medeverdachte en nadien deels doorgestort naar de notaris teneinde een pand te kopen voor de medeverdachte. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft hij verwezen naar een geldleningovereenkomst. Deze verklaring is concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het openbaar ministerie heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar aanleiding van die verklaring. Uit dit onderzoek is gebleken dat de door de verdachte verstrekte vals is. Nadat hij hiermee is geconfronteerd, is enige andere verklaring uitgebleven. Hij heeft zicht bij de politie en op zitting beroepen op zijn zwijgrecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat door de verdachte gegeven verklaring, gelet op de valsheid van de leenovereenkomst, onaannemelijk is gebleken, is het vermoeden van witwassen niet weerlegd. Dit betekent dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de geldbedragen geen legale herkomst hebben. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1.</para>
        <para>hij in de periode van 10 januari 2016 tot en met 11 juli 2017 te Schiedam,  tezamen en in vereniging met een ander</para>
        <para>b)  meerdere geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.</para>
        <para>hij op of omstreeks 11 mei 2017 te Schiedamopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt  geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een overeenkomst van een lening tussen [naam bedrijf] en [naam medeverdachte] , als ware het echt en onvervalst, door die overeenkomst te sturen naar ING Bank N.V. om de herkomst van contante stortingen te verklaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5. </nr>Strafbaarheid feiten</title>
    <para>De bewezen feiten leveren op:</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>medeplegen van witwassen;</title>
    <para>2. <emphasis role="bold">opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst</emphasis>.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6. </nr>Strafbaarheid verdachte</title>
    <para>Er is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is niet strafbaar.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7. </nr>Motivering straf </title>
    <para>De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van aanzienlijke geldbedragen. De bedragen werden telkens contant gestort en vervolgens overgemaakt naar en notaris met het doel om een pand aan te schaffen. Dit is een ernstig strafbaar feit. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor het legale economie en tast de integriteit van het financiële- en economische verkeer aan. Daarnaast heeft de verdachte een valse overeenkomst aan de bank verstrekt om zo een pand te kunnen kopen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen. De verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat anderen in de juistheid van geschriften moeten kunnen stellen ernstig beschaamd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 december 2018 gezien, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop en de ernst van de feiten wordt de door de officier van justitie geëiste taakstraf voor de duur van tweehonderd uren passend en geboden geacht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8. </nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9. </nr>Bijlagen</title>
    <para>De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10. </nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de verdachte strafbaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van <emphasis role="bold">200 (tweehonderd) uren</emphasis>, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek <emphasis role="bold">192 (honderdtweeënnegentig) uren</emphasis> te verrichten taakstraf resteert;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van <emphasis role="bold">96 (zesennegentig) dagen.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. G.P. van Beek, voorzitter,</para>
      <para>en mrs. V.F. Milders en M.J.M. van Beckhoven, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tekst tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2016 tot en met 11 juli 2017 te Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,</para>
    </parablock>
    <para>a. a) van een of meer voorwerp(en), te weten meerdere, althans een, geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 202.173,86 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voornoemde voorwerp(en) was, dan wel</para>
    <para>b) een of meer voorwerp(en), te weten meerdere, althans een, geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 202.173,86 euro heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.</para>
      <para>hij op of omstreeks 11 mei 2017 te Schiedam, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een overeenkomst van een lening tussen [naam bedrijf] en [naam medeverdachte] , als ware het echt en onvervalst, door die overeenkomst te sturen naar ING Bank N.V. om de herkomst van contante stortingen te verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>