<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:5639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-21T12:28:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8995103</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:5639">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:5639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-21T12:26:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:5639 Rechtbank Rotterdam , 18-06-2021 / 8995103</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:5639:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betaling openstaande factuurbedragen, verweer dat opdrachtgever gedaagde niet betaalt kan niet worden tegengeworpen aan eiser en is niet onderbouwd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:5639:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8995103 \ CV EXPL  21-4056</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 18 juni 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiser],</para>
      <para>eiser, </para>
      <para>gemachtigde: mr. A. Karacelik te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het exploot van dagvaarding van 15 januari 2021, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 22 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Aan de zijde van [eiser] is verschenen mr. A. Karacelik als gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, zonder tegenbericht niet verschenen. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht voor [naam]<?linebreak?> (hierna: ‘[naam]’). [eiser] heeft [gedaagde] facturen gestuurd voor zijn werkzaamheden voor een bedrag van in totaal € 4.100,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft van het onder 2.1 genoemde totaalbedrag een bedrag van € 1.700,00 betaald aan [eiser]. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 2.400,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 5 november 2019, en € 360,00 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan zijn vordering heeft [eiser], naast de vaststaande feiten, – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht is gehouden om de facturen van [eiser] te betalen. Aangezien [gedaagde] dit ondanks aanmaning niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft gedaan, is hij tevens wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [naam] niet tevreden is met de door [eiser] verrichte werkzaamheden en dat [naam] daarom niet aan [gedaagde] betaalde. [gedaagde] heeft [eiser] medegedeeld dat hij even moest wachten op betaling van het resterende bedrag totdat [naam] zou hebben betaald, maar toen heeft [eiser] [gedaagde] bedreigd. Daarnaast voert [gedaagde] aan niet akkoord te zijn met de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Hoofdsom</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft erkend dat hij een bedrag van € 2.400,00 aan door [eiser] verzonden facturen onbetaald heeft gelaten. De verschuldigdheid van dit bedrag is als zodanig niet betwist door [gedaagde]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het verweer van [gedaagde] is gebaseerd op het uitblijven van betaling door [naam]. Deze kwestie met [naam] is echter aan de orde in de relatie tussen [gedaagde] en [naam], en niet in die tussen [gedaagde] en [eiser]. Dit argument kan zodoende niet worden tegengeworpen aan [eiser]. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist aangevoerd dat hij door [gedaagde] niet is aangesproken op eventueel ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] heeft zijn verweer ook niet (nader) onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om bijvoorbeeld aan te voeren waarom de werkzaamheden van [eiser] ondeugdelijk zijn uitgevoerd. Nu [gedaagde] heeft nagelaten zijn verweer te onderbouwen, kan zijn verweer niet leiden tot opschorting of  (uiteindelijk) verval van zijn betalingsverplichting jegens [eiser]. De hoofdsom is dan ook toewijsbaar voor het bedrag van € 2.400,00.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijke handelsrente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [eiser] maakt aanspraak op wettelijke handelsrente over de hoofdsom, te berekenen vanaf 5 november 2019. Op grond van artikel 6:119a BW is [gedaagde] deze rente verschuldigd vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Uit de door [eiser] overgelegde facturen blijkt dat de laatste factuur dateert van <?linebreak?>5 oktober 2019, en dat de betalingstermijn 30 dagen is. [gedaagde] is dus vanaf 5 november 2019 wettelijke handelsrente verschuldigd over de factuurbedragen vanwege het uitblijven van volledige betaling. De gevorderde wettelijke rente is dan ook als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [eiser] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 360,00. Voor de beoordeling hiervan dient aansluiting te worden gezocht bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft [gedaagde] een aanmaning gestuurd en heeft de hoogte van de verschuldigde kosten berekend conform het genoemde besluit. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is zodoende toewijsbaar.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [eiser], bestaande uit € 353,98 aan verschotten (€ 240,00 aan griffierecht en € 113,98 aan explootkosten) en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten à € 218,00).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 5 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 360,00 aan buitengerechtelijke kosten; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 353,98 aan verschotten en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. K.J Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>48637</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>