<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:5520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-18T10:00:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/615600 / HA ZA 21-270</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:5520">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:5520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-17T10:17:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:5520 Rechtbank Rotterdam , 16-06-2021 / C/10/615600 / HA ZA 21-270</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:5520:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 223 Rv incident (voorschot). De omstandigheid dat de eiser haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt en bezig is met haar liquidatie, is geen reden waarom van haar niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van de hoofdzaak afwacht. Vordering tot betaling van voorschot wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:5520:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a5237f6c-7e56-4875-bff3-0a6965544be8" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ac76d904-7980-4a6f-9af0-3d4d7e20afd2" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/615600 / HA ZA 21-270</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 16 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ECP FACTORING B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. N.J.P. Miltenburg te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">CROSS4U B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Gorinchem,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. J. Wijnja te Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna ECP en Cross4u genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, en de akte overlegging producties, met producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord, met producties.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>Het geschil in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>ECP vordert in het incident – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Cross4u veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 152.606,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente, en in de kosten van het incident, daaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het verweer van Cross4u strekt tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van ECP, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer ECP daarbij voldoende belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat ECP de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. De rechtbank zal de provisionele vordering afwijzen, nu geen van deze omstandigheden zich voordoet en er ook geen sprake is van een andere grond die voldoende belang bij de toewijzing oplevert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De omstandigheid dat ECP haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt en bezig is haar factoringportefeuille af te wikkelen, is geen voldoende zwaarwegend belang dat maakt dat zij de uitkomst van de bodemprocedure niet kan afwachten. Dit klemt te meer nu ECP begin 2020 een eerdere dagvaarding in deze zaak heeft uitgebracht tegen Cross4u. Toen heeft zij ‘om haar moverende redenen’ besloten de procedure niet door te zetten. Dat kan, maar dan moet ze nu niet zonder een toelichting over eventueel gewijzigde omstandigheden betogen dat haar belang bij haar eigen liquidatie reden is voor urgentie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij het voorgaande komt bovendien dat de gegrondheid van de vordering van ECP niet zonder meer vaststaat. ECP stelt bij dagvaarding dat de in geschil zijnde partijen avocado’s bij aankomst in Rotterdam in orde waren en Cross4u deze toen zonder protest heeft aanvaard. Dit wordt door Cross4u gemotiveerd betwist. Zij stelt dat de avocado’s niet voldeden aan de afspraken. Zij heeft inspectierapporten in het geding gebracht en e-mails waarin deze zijn doorgezonden. In het rapport van de eerste partij staat dat de kwaliteit problematisch is. In het rapport van de tweede partij staat dat dat de kwaliteit bij eerste inspectie <emphasis role="italic">acceptable / normal</emphasis> was (terwijl volgens Cross4u afgesproken was dat de avocado’s van uitstekende kwaliteit zouden zijn) en dat de avocado’s herverpakt moesten worden. Dit en andere gevoerde verweren zullen in de hoofdzaak nader besproken moeten worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4.</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>a.	wijst het gevorderde af,</para>
    <para />
    <para>b.	houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>c.	bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">28 juli 2021</emphasis> voor conclusie van antwoord.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2021.</para>
      <para>1876/2872</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>