<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:3541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-28T10:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8982346 CV EXPL 21-3003</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:3541">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:3541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-26T14:27:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:3541 Rechtbank Rotterdam , 23-04-2021 / 8982346 CV EXPL 21-3003</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:3541:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dienstenovereenkomst - Nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst - Vordering tot betaling toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:3541:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>zaaknummer: 8982346 CV EXPL 21-3003</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 23 april 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] , </emphasis>handelend onder de naam [handelsnaam] ,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: [naam gemachtigde] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: De Ruijter &amp; Willemsen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding van 7 januari 2021, met bijlagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het antwoord van [gedaagde] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis van 8 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel behoorlijk opgeroepen is [gedaagde] niet op de mondelinge behandeling verschenen. Het vonnis is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.</para>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [eiseres] is een eenmanszaak die onder meer werkzaam is in sales en de ondersteuning, adviesverlening en het schrijven van redactionele stukken ten behoeve van film- en tv-productie.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] is een besloten vennootschap die werkzaam is in de productie van televisieprogramma’s. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft diensten geleverd aan [gedaagde] in de vorm van redactie en sales, en heeft hiervoor op 22 juni 2020 een factuur gestuurd aan [gedaagde] voor een bedrag van € 907,50 inclusief btw. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft, ondanks meerdere aanmaningen, dit bedrag tot op heden niet betaald aan [eiseres] .</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3.</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.043,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 907,50 vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [eiseres] legt aan haar vordering tot betaling nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] voor € 1.500,-  exclusief btw per maand haar diensten zou verlenen aan [gedaagde] . Omdat [eiseres] deze diensten twee weken heeft uitgevoerd heeft zij slechts die weken in rekening gebracht bij [gedaagde] . Dit komt neer op een bedrag van € 750,- exclusief btw (€ 907,50 inclusief btw). [gedaagde] is tevens buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen hen sprake was van een dienstenovereenkomst, dat [eiseres] de overeengekomen diensten heeft geleverd en dat [gedaagde] op enig moment [eiseres] € 907,50 inclusief btw zou moeten betalen voor de door haar geleverde diensten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist de vordering en voert in dit kader het volgende aan. De afspraak is dat [gedaagde] pas dient te betalen als de door [eiseres] binnengebrachte klant heeft betaald. [gedaagde] heeft dit geld namelijk nodig om [eiseres] te kunnen betalen. Omdat de door [eiseres] binnengebrachte klanten (nog) niet hebben betaald, hoeft [gedaagde] dit ook (nog) niet te toen. Hier staat het volgende, door [eiseres] gestelde, tegenover. Ter zitting verklaart [eiseres] dat [gedaagde] voor haar diensten omgerekend € 375,- exclusief btw per week zou betalen, ongeacht het betalingsgedrag van de door haar binnengebrachte klanten. [eiseres] heeft tevens een aanvullende productie in het geding gebracht, waaruit blijkt dat een door haar aangedragen klant de helft van haar factuur aan [gedaagde] heeft betaald op 13 augustus 2020. Ook op het door [eiseres] gestelde ultimatum van 22 augustus 2020 heeft [gedaagde] nagelaten [eiseres] (deels) te vergoeden voor haar diensten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Als volgt wordt overwogen. Met het door [eiseres] gestelde is voldoende komen vast te staan dat partijen een overeenkomst hadden en dat [gedaagde] [eiseres] € 907,50 diende te betalen voor haar diensten. [gedaagde] heeft betwist dat dit bedrag al opeisbaar is, nu de klanten volgens haar nog niet betaald hebben. [gedaagde] heeft echter nagelaten deze betwisting nader te motiveren met feiten en/of omstandigheden. Daar komt bij dat een van de klanten van [gedaagde] blijkbaar wel een (deel)betaling heeft verricht, maar dat deze nimmer is doorbetaald aan [eiseres] . Tot slot heeft [eiseres] whatsappberichten van [gedaagde] in het geding gebracht, waarin [gedaagde] verklaart dat zij probeert te betalen, maar dat zij hierin afhankelijk is van haar klanten. Er lijkt hier sprake te zijn van betalingsonmacht van [gedaagde] , in plaats van het nakomen van een door partijen gemaakte afspraak. Deze (mogelijke) betalingsonmacht dient echter voor rekening en risico van [gedaagde] te vallen. Het verweer van [gedaagde] zal daarom worden verworpen. De vordering zal worden toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        [eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Dit vonnis wordt zoals [eiseres] vordert ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordelingen moet voldoen en dat zij de aan [eiseres] toegekende vergoeding moet betalen aan [eiseres] , ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis. Voor zover dit mogelijk zou zijn.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter<emphasis role="bold">:</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.043,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 907,50 vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 240,- aan griffierecht, € 88,27 aan dagvaardingskosten en € 124,- (1 punt x € 124,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 62,- aan salaris en een bedrag aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr.  C.P. van Gastel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>44236</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>