<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:3459</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-20T16:44:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8632802 CV EXPL 20-22999</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:3459">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:3459</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-20T16:43:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:3459 Rechtbank Rotterdam , 26-02-2021 / 8632802 CV EXPL 20-22999</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:3459:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Informatie verplichting contractuele en precontractuele fase artikel 6:230m BW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:3459:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8632802 CV EXPL 20-22999</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 26 februari 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Direct Pay Services B.V., </emphasis>als rechtsopvolger onder bijzondere titel van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco Zuid Nederland B.V, voorheen genaamd E.ON Benelux Levering B.V.<emphasis role="bold">,</emphasis></para>
      <para>gevestigd te Eindhoven,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: Webcasso B.V. te Spijkenisse,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als ‘Direct Pay Services’ en ‘[gedaagde]’. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:</para>
        <para>- het tussenvonnis van 4 december 2020 en de daarin genoemde processtukken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Direct Pay Services heeft, hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld, ter rolzitting van 31 december 2020 en 28 januari 2021 niet gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2. </nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 4 december 2020 heeft de kantonrechter Direct Pay Services in de gelegenheid gesteld om toe te lichten op welke wijze [gedaagde] is gewezen op de wettelijke bedenktermijn en of al dan niet aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen, zoals omschreven in artikel 6:230m lid 1 BW, is voldaan. Direct Pay Services heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Zoals in het tussenvonnis al is vermeld, bevat de door Direct Pay Services uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie om aan de eisen van artikel 21 Rv te voldoen. Bovendien is sprake van een schending van artikel 111 lid 2 sub d Rv. Het had Direct Pay Services, als “repeat player”, inmiddels bekend moeten zijn dat zaken betreffende consumentenovereenkomsten, zoals de onderhavige, ambtshalve op veel onderdelen moeten worden getoetst en dat zij daarom niet kon volstaan met de beperkte informatie die in de dagvaarding is gesteld en verstrekt. Ondanks deze ontoereikende onderbouwing van de vordering, is Direct Pay Services in overeenstemming met landelijke afspraken omtrent ambtshalve toetsing in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende informatie alsnog in het geding te brengen. Hiertoe is zij niet overgegaan. Ook nadat aan Direct Pay Services die mogelijkheid nogmaals is geboden, heeft zij geen aanvullende informatie versterkt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Nu de kantonrechter niet kan beoordelen of Direct Pay Services [gedaagde] op de wettelijke bedenktermijn heeft gewezen en evenmin kan worden vastgesteld of Direct Pay Services aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan, kan de kantonrechter de gegrondheid van de vordering niet vaststellen. Bovendien heeft Direct Pay Services zich niet meer uitgelaten over hetgeen in het hiervoor genoemde tussenvonnis is gesteld ten aanzien van  de verlengde bedenktermijn. Een en ander dien te leiden tot afwijzing van de vordering.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Direct Pay Services zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil, aangezien [gedaagde] in persoon procedeert.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Direct Pay Services in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting. </para>
      <para>44485</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>