<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:1566</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-02T08:14:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8742236 CV EXPL 20-31191</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1566">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1566</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-02T08:14:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:1566 Rechtbank Rotterdam , 15-01-2021 / 8742236 CV EXPL 20-31191</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:1566:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenvonnis bewijsopdracht. Verweer dat de facturen reeds betaald zijn, dient nader onderbouwd te worden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:1566:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>zaaknummer: 8742236 CV EXPL 20-31191</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 15 januari 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: Van Houwelingen &amp; Partners, Gerechtsdeurwaarders en Incasso, <?linebreak?></para>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [gedaagde]
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold"> ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>vertegenwoordigd door: [naam persoon 1] , bestuurder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <parablock>
      <para> de dagvaarding van 1 september 2020, met bijlagen;</para>
      <para> de conclusie van antwoord, met bijlagen;</para>
      <para> de aantekeningen van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 via beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 7.715,72, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 5.995,00 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden bij een klant van [gedaagde] uitgevoerd. [eiser] vordert nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. [gedaagde] moet nog drie facturen betalen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de juistheid van de gevorderde facturen erkend, maar heeft tevens gesteld dat de vorderingen reeds (gedeeltelijk) zijn voldaan. Een deel van de vordering is volgens [gedaagde] door haar klant rechtstreeks aan [eiser] voldaan en daarnaast heeft [gedaagde] nog een vordering van € 1.306,80 op [eiser] , die verrekend dient te worden met de vorderingen van [eiser] . Het (na verrekening) nog openstaande bedrag kan [gedaagde] door betalingsonmacht niet betalen en zij wenst daarvoor in overleg te treden met [eiser] om een regeling te treffen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat zij factuur 014-2018 ten bedrage van € 1.265,00 nog moet betalen. De door haar gestelde financiële problemen ontslaan [gedaagde] niet uit haar betalingsverplichting jegens [eiser] . Dit deel van de vordering is dus toewijsbaar. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Met betrekking tot de facturen 015-2018 en 020-2018 van in totaal € 4.730,00 stelt [gedaagde] dat de verschuldigde bedragen deels contant zijn voldaan door haar klant, te weten door de heer [naam persoon 2] . [gedaagde] weet niet welk bedrag precies is voldaan, maar het nog openstaande bedrag dient vervolgens verrekend te worden met haar vordering van € 1.306,80. Het dan nog resterende bedrag wenst [gedaagde] in termijnen te betalen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de vordering van [gedaagde] nog dient te voldoen en dat het bedrag van € 1.306,80 verrekend mag worden met zijn vordering.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [eiser] heeft betwist dat de facturen 015-2018 en 020-2018 deels voldaan zijn door de klant van [gedaagde] . Gezien deze betwisting ligt het op de weg van [gedaagde] om haar (bevrijdende) verweer nader te onderbouwen. Ter zitting heeft [gedaagde] aangeboden bewijs te leveren van de contante betaling door de heer [naam persoon 2] . Naar aanleiding hiervan zal de kantonrechter [gedaagde] toelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De zaak zal voor de bewijslevering worden verwezen naar de rol zoals hierna is bepaald. Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium aangehouden.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter<emphasis role="bold">:</emphasis></para>
    <para />
    <para> laat [gedaagde] toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de facturen 015-2018 en 020-2018 van [eiser] van in totaal € 4.730,00 (gedeeltelijk) zijn voldaan door betalingen;</para>
    <para />
    <para> bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">dinsdag 2 februari 2021 om 13:30 uur</emphasis> voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel;</para>
    <para />
    <para> wijst [gedaagde] erop dat de akte in tweevoud ingestuurd moet worden en uiterlijk de dag vóór de rolzitting om 12.00 uur door de rechtbank ontvangen moet zijn; de akte mag tijdelijk ook per e-mail worden ingediend (kantondagvaarding.rtm@rechtspraak.nl). [gedaagde] kan het processtuk ook zelf afgeven of door een gemachtigde laten afgeven tijdens de rolzitting;</para>
    <para />
    <para> bepaalt dat indien [gedaagde] geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel <emphasis role="bold">bewijsstukken</emphasis> wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;</para>
    <para />
    <para> bepaalt dat [gedaagde] , indien zij <emphasis role="bold">getuigen</emphasis> wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari tot en met april 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;</para>
    <para />
    <para> bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank;</para>
    <para />
    <para> houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. N. Freese en uitgesproken door mr. S.H. Poiesz ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>43416</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>