<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:13604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:10:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:2021:12183</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 20/2208</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:13604">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:13604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-09T13:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:13604 Rechtbank Rotterdam , 10-12-2021 / ROT 20/2208</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:13604:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft terecht en op goede gronden een EMA opgelegd. De getuigenverklaringen bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:13604:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 20/2208 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [plaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)</emphasis>, verweerder.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser de educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMA) opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Partijen zijn niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op 8 januari 2020 heeft de korpschef van politie verweerder op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) schriftelijk meegedeeld dat bij hem het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding van deze mededeling en het bijbehorende mutatierapport van 6 januari 2020 heeft verweerder het primaire besluit genomen. </para>
    <para />
    <para>2. Volgens verweerder is op grond van het mutatierapport van de politie met voldoende zekerheid komen vast te staan dat eiser op 21 december 2019 op het Hofplein te Rotterdam tweemaal een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Dit betekent dat eiser tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid 2011 (de Regeling maatregelen) en verweerder dus gehouden was aan eiser een EMA op te leggen. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser ontkent dat hij een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Hij heeft slechts één keer bij een oranje verkeerslicht doorgereden. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij getuigenverklaringen overgelegd van zijn twee bijrijders, gedateerd 16 april 2020. </para>
    <para />
    <para>4. Op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien de betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag. Daaronder valt ook het negeren van een rood verkeerslicht. </para>
    <para />
    <para>5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 24 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2551), volgt dat als de bevindingen van de politie worden betwist, moet worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. De feiten waarop het vermoeden is gebaseerd behoeven, anders dan in het strafrecht, niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Voor het opleggen van een EMA is voor verweerder voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende zekerheid komt vast te staan dat betrokkene tweemaal door rood licht is gereden.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft twee getuigenverklaringen overgelegd. De getuigen betreffen twee bijrijders. Beide getuigen hebben hetzelfde verklaard als eiser, inhoudende dat eiser tijdens de autorit op 21 december 2019 eenmaal bij een oranje verkeerslicht heeft doorgereden, maar dat hij niet tweemaal een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Deze getuigenverklaringen bieden echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten. Beide getuigen zijn bekenden van eiser en bovendien zijn de verklaringen bijna vier maanden na de staandehouding van eiser opgesteld. Betrokkenen hebben dus alle tijd en ruimte gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot oplegging van de EMA.</para>
    <para />
    <para>7. Voor de klacht van eiser over de bejegening door een van de verbalisanten, dient de daarvoor bestemde klachtenprocedure te worden gevolgd. Voor een beoordeling van die klacht bestaat in deze procedure geen ruimte. </para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 10 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier en de rechter zijn verhinderd te tekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>