<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:12293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-14T17:52:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/614277 HA ZA 21-199</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:12293">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:12293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-14T16:26:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:12293 Rechtbank Rotterdam , 08-12-2021 / 10/614277 HA ZA 21-199</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:12293:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om toestemming te verlenen voor het instellen van hoger beroep. Belangenafweging. Ernstige vertraging doorslaggevend. Geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat tegen tussenvonnis in beginsel geen hoger beroep kan worden ingesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:12293:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer/rolnummer: C/10/614277 HA ZA 21-199</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 8 december 2021  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiser] , </para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat: mr. W.S. Santema, Sneek,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>
      [naam gedaagde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. L.E.M. de Vries-Blom, Honselersdijk,</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">2. [naam gedaagde 2] ,</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,</para>
    <bridgehead role="bold">3. [naam gedaagde 3] ,</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats gedaagde 3] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser en gedaagden worden hierna aangeduid als ‘ [naam eiser] ’, ‘ [naam gedaagde 1] ’, ‘ [naam gedaagde 2]’ en ‘ [naam gedaagde 3] ’. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij vonnis van 20 oktober 2021 van deze rechtbank is het volgende beslist:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">draagt [naam gedaagde 1] op tot het bewijs van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de door erflater aan hem verstrekte bedragen zijn te kwalificeren als schenkingen;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">woensdag 17 november 2021 </emphasis>
          <emphasis role="italic">voor uitlating door [naam gedaagde 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalt dat [naam gedaagde 1] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">bewijsstukken</emphasis>
          <emphasis role="italic"> over wil leggen, die stukken direct in het geding moet brengen;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalt dat [naam gedaagde 1] , indien hij </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">getuigen</emphasis>
          <emphasis role="italic"> wil laten horen, uiterlijk op 17 november 2021 schriftelijk aan de rechtbank - </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam,</emphasis>
          <emphasis role="italic"> de namens hem te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden december 2021 tot en met maart 2022 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C. van Steenderen-Koornneef in het gerechtsgebouw te Dordrecht, Steegoversloot 36;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">houdt iedere verdere beslissing aan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>-de brief van 12 november 2021 van de zijde van [naam gedaagde 1] ;</para>
        <para>-de akte van 1 december 2021 van de zijde van [naam eiser] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2. </nr>Beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemd vonnis is overwogen en beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In de brief van 12 november 2021 verzoekt mr. De Vries-Blom, de advocaat van [naam gedaagde 1] , de rechtbank om toestemming te verlenen voor het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van 20 oktober 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van tussenvonnissen (uitgezonderd vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd) hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.</para>
        <para>Uit de wetsgeschiedenis van artikel 337 Rv blijkt dat de doelmatigheid van het burgerlijk proces in het algemeen wordt bevorderd indien de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep in beginsel wordt uitgesloten. De wetgever heeft daarmee bedoeld dat met een grote mate van terughoudendheid tussentijds hoger beroep zal worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Volgens mr. De Vries-Blom is een reden voor hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte voorbij zou zijn gegaan aan het standpunt van [naam gedaagde 1] dat de door erflater aan hem verstrekte bedragen te kwalificeren zijn ter voldoening van de wettelijke plicht van erflater om het gezin van [naam gedaagde 1] te onderhouden, althans te ondersteunen op de momenten dat hij daar zelf niet toe in staat was. Daarnaast heeft mr. De Vries-Blom naar voren gebracht dat [naam gedaagde 1] het niet eens is met de omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>
        [naam eiser] heeft tegen het eventueel verlenen van de toestemming bezwaar gemaakt. Hij voert daarvoor aan dat in de huidige tijd appèlzaken bij het hof uiterst langzaam verlopen en het instellen van een tussentijds hoger beroep om die reden de afhandeling van het geschil tussen partijen minstens met een jaar zal vertragen. Tussentijds hoger beroep doorbreekt volgens [naam eiser] (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0076) de continuïteit van het processueel debat en schaadt in zoverre het belang dat [naam eiser] met het oog op de inrichting van zijn stellingen heeft bij een ordelijk verloop van dat debat. Een tussentijds hoger beroep sluit volgens [naam eiser] niet uit dat een tweede hoger beroep zal volgen op het moment dat door de rechtbank een eindvonnis in de zaak wordt gewezen. Opnieuw zal dan de afwikkeling van het geschil tussen partijen langdurig worden vertraagd. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt het volgende. Het toelaten van hoger beroep brengt een vertraging van de procedure met zich en moet alleen als doelmatig worden beschouwd wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Daarvan is niet gebleken.</para>
        <para>Bij de beslissing op het verzoek om toestemming te verlenen voor het instellen van hoger beroep, gaat het om de afweging van het belang van [naam gedaagde 1] om de beslissing van de rechtbank tot het geven van een bewijsopdracht te kunnen aanvechten ten opzichte van het belang van [naam eiser] om binnen een redelijke termijn een uitspraak te krijgen. Dit laatste acht de rechtbank doorslaggevend. De bij deze rechtbank lopende procedure kan door hoger beroep ernstig worden vertraagd. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [naam eiser] en de andere erfgenamen [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] . Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat tegen een tussenvonnis in beginsel geen hoger beroep kan worden ingesteld. Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen. Dat van een eventueel voor [naam gedaagde 1] negatief eindvonnis hoger beroep openstaat is bij de afweging betrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst af het verzoek van [naam gedaagde 1] om tussentijds hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van 20 oktober 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2021. </para>
        <para>3092</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>