<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:11903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T14:37:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/620607 / HA ZA 21-530</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:11903">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:11903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T14:36:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:11903 Rechtbank Rotterdam , 01-12-2021 / C/10/620607 / HA ZA 21-530</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:11903:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incidentele vordering ex art. 843a Rv. Er is in casu sprake van een incidentele vordering die niets heeft te maken met de vordering in de hoofdzaak. In zoverre is sprake van twee separate vorderingen in de hoofdzaak en niet van een incident in eigenlijke zin, te weten: een processuele verwikkeling waarvan de beslissing relevant is voor de hoofdzaak. In elk geval betekent dit dat de zaak niet meebrengt dat op de vordering tot afschrift van bescheiden eerst en vooraf dient te worden beslist als bedoeld in artikel 209 Rv. De op artikel 843a Rv gebaseerde vordering zal dan ook gelijktijdig met de vordering in de hoofzaak worden behandeld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:11903:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="291ec930-eca5-4f04-83d0-0c0bd8ce89bb" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9e601b40-0507-49cb-b6b7-38949c9d5112" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/620607 / HA ZA 21-530</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 1 december 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [persoon A]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats A] ,</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak en in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. D.T. Mensinga te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr> [bedrijf B] ,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats B] ,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon B1]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats B1] ,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [persoon A] , [bedrijf B] en [persoon B1] genoemd worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot exhibitie, met producties A tot en met F en 1 tot en met 15;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident, met producties 1 en 2;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek in het incident, met productie 16;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek in het incident, met producties 3 en 4.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2.</nr>De vordering in de hoofdzaak</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [persoon A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [bedrijf B] en [persoon B1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [persoon A] van de hoofdsom van € 115.000,-, te vermeerderen met <emphasis role="italic">primair</emphasis> de contractuele rente van € 60.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over het restantbedrag en <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [persoon A] betaling van de proceskosten, beslagkosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3.</nr>Het geschil in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [persoon A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>1. [bedrijf B] veroordeelt om binnen veertien dagen, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na het wijzen van het tussenvonnis of eindvonnis afschrift te geven van:</para>
      <parablock>
        <para>i. Bankafschriften waaruit volgt dat het geld van [persoon A] ad </para>
        <para>€ 75.000,- vermeerderd met € 75.000,- van [bedrijf B] aan een derde is overgemaakt door [bedrijf B] aan deze derde;</para>
        <para>ii.	De (bank)gegevens van deze derde en de volledige naam van deze derde;</para>
        <para>iii.	Bescheiden waaruit volgt dat voor een bedrag ad € 150.000,- aan bitcoins is gekocht;</para>
        <para>iv.	Onderbouwing c.q. schriftelijke bescheiden van de mededelingen gedaan </para>
        <para>in de Whats App correspondentie tussen [persoon A] en [bedrijf B] (<emphasis role="underline">productie 8</emphasis>);</para>
        <para>v.	Aangifte van verduistering/diefstal/beroving of van een ander strafbaar feit waaruit het wegnemen van de bitcoins volgt;</para>
        <para>vi.	Informatie c.q. stukken waaruit de status in het strafdossier blijkt;</para>
        <para>vii.	Afschrift garantieovereenkomst tussen [bedrijf B] en/of aan haar gelieerde partijen ter uitvoering van de overeenkomst;</para>
        <para>viii.	De overeenkomsten die [bedrijf B] en/of aan haar gelieerde partijen met derden sloten ter uitvoering van de overeenkomst met [persoon A] (<emphasis role="underline">productie 9</emphasis>);</para>
        <para>ix.	Correspondentie tussen [bedrijf B] en de door haar ingeschakelde hulppersonen en/of [persoon C] ;</para>
        <para>x.	Afschriften c.q. stukken van/tussen [bedrijf B] en de door haar ingeschakelde hulppersonen aangaande de (ver)koop van de bitcoins;</para>
        <para>xi.	Afschriften c.q. stukken van/tussen [bedrijf B] en de door haar ingeschakelde personen aangaande de behaalde rendementen (<emphasis role="underline">productie 8</emphasis>);</para>
        <para>xii.	Het verloop van het rendement vanaf koop van de bitcoins tot en met de diefstal/verduistering;</para>
        <para>xiii.	Het huidige rendement;</para>
        <para>xiv.	Inzage in de bitcoin-stroom (verkoop/aankoop) tussen [bedrijf B] enerzijds en de hulppersonen en derden ter zake van de uitvoering van de overeenkomst met [persoon A] anderzijds vanaf mei 2018 tot en met heden;</para>
      </parablock>
      <para>2. [bedrijf B] daarbij schriftelijk aan [persoon A] doen (laten) verklaren dat geen stukken en/of informatie is achtergehouden;</para>
      <para>3. [bedrijf B] te bevelen om aan [persoon A] een dwangsom te voldoen van </para>
      <para>€ 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [bedrijf B] in gebreke blijft te voldoen aan de hiervoor bedoelde veroordeling of enig gedeelte daarvan, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 2.000.000,00;</para>
      <para>4. [persoon B1] en [bedrijf B] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [persoon A] van de proceskosten, beslagkosten en nakosten, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis zijn voldaan hierover vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [persoon A] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. </para>
        <para>Tussen [persoon A] en [bedrijf B] is een overeenkomst gesloten met betrekking tot een gezamenlijke investering in bitcoins. [persoon A] heeft hiertoe € 75.000,- aan [bedrijf B] verstrekt met de gedachte dat hierop rendement zou worden behaald. [bedrijf B] heeft op enig moment € 80.000,- op de investering terugbetaald, maar nagelaten het behaalde rendement uit te betalen. [bedrijf B] weigert inzage in de gang van zaken en het behaalde rendement te verschaffen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring althans afwijzing van de vorderingen in het incident, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [persoon A] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] voert aan dat niet zij maar [persoon B1] , die niet in het incident is betrokken, de door [persoon A] bedoelde overeenkomst heeft gesloten. Voorts is onvoldoende duidelijk van welke bescheiden [persoon A] inzage verlangt, bestaan de bescheiden niet of beschikt [bedrijf B] er niet over en is [persoon A] geen partij bij de rechtsbetrekking ten aanzien waarvan stukken worden verlangd. [persoon A] beschikt bovendien over voldoende informatie om te kunnen beoordelen dat hij geen vordering op [bedrijf B] heeft.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4.</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 209 Rv wordt op incidentele vorderingen, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf beslist. Of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van de aard en de inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering (HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/158). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft geconstateerd dat de als incident ingestelde vordering tot inzage en afschrift van bescheiden betrekking heeft op een gezamenlijke investering in bitcoins. Die vordering heeft niets te maken met de vordering in de (zogenoemde) hoofdzaak over nakoming van een geldleningsovereenkomst. In zoverre is sprake van twee separate vorderingen in de hoofdzaak en niet van een incident in eigenlijke zin, te weten: een processuele verwikkeling waarvan de beslissing relevant is voor de hoofdzaak. In elk geval betekent dit dat de zaak niet meebrengt dat op de vordering tot afschrift van bescheiden eerst en vooraf dient te worden beslist als bedoeld in artikel 209 Rv. De op artikel 843a Rv gebaseerde vordering zal dan ook gelijktijdig met de vordering in de hoofzaak worden behandeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande wordt iedere beslissing aangehouden. In de hoofdzaak zal een conclusie van antwoord genomen moeten worden, waarna in beginsel een mondelinge behandeling zal worden bepaald bij welke gelegenheid het geschil in volle omvang aan de orde zal kunnen komen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5.</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>houdt iedere beslissing aan;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">12 januari 2022</emphasis> voor conclusie van antwoord aan de zijde van [bedrijf B] en [persoon B1] . </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en op 1 december 2021 uitgesproken in het openbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3268/1980</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>