<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:10845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T15:06:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9337220 CV EXPL 21-23526</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10845">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T15:05:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:10845 Rechtbank Rotterdam , 05-11-2021 / 9337220 CV EXPL 21-23526</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:10845:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering in incident, verwijzing op grond van artikel 220, lid 1 Rv afgewezen. Dit artikel is enkel aan de orde wanneer het gaat om twee (of meer) dagvaardingszaken. Aan deze voorwaarde is in dit incident niet voldaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:10845:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>zaaknummer: 9337220 CV EXPL 21-23526</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 5 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats eiser],</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident en in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: [naam], <?linebreak?></para>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde], </para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verzoekster in het incident en in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mr. P.J. de Bruin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding van 30 juni 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord in conventie en voorwaardelijke eis in reconventie;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord in het incident;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de overgelegde producties.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Het geschil in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>
        [eiser] vordert [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.301,24 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.660,24 vanaf 30 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [eiser] heeft in de periode 1 januari 2020 t/m 31 oktober 2020 aan [gedaagde] voor een bedrag van € 2.660,24 aan partneralimentatie betaald. Deze betalingen diende [eiser] te verrichten ter uitvoering van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 24 oktober 2018 (200.235.789/01 en 200.235.790/01). Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2020 (C/10/599630/ FA RK 20-4852) is de beschikking van het gerechtshof Den Haag echter gewijzigd. De alimentatie is per 1 januari 2020 bepaald op nihil, waardoor de door [eiser] gedane betalingen onverschuldigd zijn verricht. Tot op heden is [gedaagde] in gebreke gebleven om de onverschuldigd betaalde alimentatie terug te betalen. Hierdoor heeft [eiser] tevens buitengerechtelijke kosten moeten maken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] verzoekt afwijzing van de vorderingen met de veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Op het verweer van [gedaagde] zal – voor zover van belang in onderhavige zaak – hierna verder worden ingegaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Het geschil in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [verzoekster] vordert bij incidentele conclusie onderhavige procedure te verwijzen, ex artikel 220 lid 1 Rv, naar de familiekamer van de rechtbank Rotterdam, die het op 3 september 2021 door [verzoekster] ingediende verzoekschrift behandelt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [verzoekster] legt aan haar incidentele vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [verzoekster] heeft op 3 september 2021 een verzoekschrift tot vaststelling van alimentatiebetalingen ten laste van [verweerder] ingediend. Omdat onderhavige procedure en het verzoekschrift verknocht zijn, verzoekt [verzoekster] om onderhavige procedure te laten behandelen door de rechtbank die de verzoekschriftprocedure behandelt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [verweerder] verweert zich door – kort weergegeven – primair te stellen dat er geen verwijzing kan plaatsvinden op grond van artikel 220, lid 1 Rv. Dit omdat het niet mogelijk is om verwijzing te vorderen als er sprake is van een dagvaardingsprocedure en een verzoekschriftprocedure. Subsidiair stelt [verweerder] dat er geen sprake kan zijn van verwijzing omdat er geen sprake is van dusdanige connexiteit dat de consistentie van uitspraken in gevaar kan komen. In deze procedures zijn namelijk verschillende rechtsvragen aan de orde.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 220 lid 1 Rv kan een partij bij een procedure vorderen dat een jongere aanhangige zaak wordt verwezen naar de rechter van gelijke rang die een eerder aanhangig gemaakte zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp behandelt, of die een eerder aanhangig gemaakte, met de jongere zaak verknochte, zaak behandelt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Overwogen wordt dat artikel 220 lid 1 Rv is geplaatst in de titel betreffende de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg. Het artikel spreekt, zowel voor wat betreft de oudere als de jongere zaak, over “aanhangig gemaakte” zaken. Op grond van artikel 125 lid 1 Rv is een zaak aanhangig vanaf de dag van dagvaarding. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt het vorenstaande met zich, dat verwijzing op de voet van artikel 220 Rv alleen aan de orde kan zijn wanneer het gaat om dagvaardingszaken. In dit incident wordt echter gevorderd om de hoofdzaak die bij deze kantonrechter aanhangig is gemaakt te verwijzen naar de familiekamer van de rechtbank Rotterdam, waar een verzoekschriftprocedure is aangevangen. Gelet op het vorenstaande is dit, zoals [eiser] terecht heeft aangevoerd, niet mogelijk. De vordering zal daarom worden afgewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten van dit incident.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In de hoofdzaak zal de zaak naar de rol worden verwezen voor conclusie van repliek tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord in reconventie.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter<emphasis role="bold">:</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident:</emphasis>
      </para>
      <para>wijst het gevorderde af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [verweerder] bepaald op € 218 (1 punt x € 218,-);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de hoofdzaak:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van <emphasis role="underline">dinsdag 7 december 2021 om 13:30 uur</emphasis> voor het nemen van een conclusie van repliek tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord in reconventie door [eiser]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.44236</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>