<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:10678</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:07:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/621991 / HA ZA 21-621</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2021/316</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10678">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10678</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-05T09:58:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:10678 Rechtbank Rotterdam , 20-10-2021 / C/10/621991 / HA ZA 21-621</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:10678:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Griffierecht niet tijdig voldaan. Artikel 3 lid 1 Wgbz. Ontslag van instantie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:10678:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="3eb2a9c9-ab0c-4cd8-9201-04c9e0f7e418" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="fd1cd49c-9e18-4383-aaae-ec1534699cfc" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/621991 / HA ZA 21-621</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 20 oktober 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiseres] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. A.K. Ramdas te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 6 juli 2021, met producties 1 en 2; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 3 september 2021 van de rechtbank, waarbij mr. Ramdas is medegedeeld dat de griffie heeft geconstateerd dat mr. Ramdas het door [eiseres] verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan binnen de daarvoor in artikel 3 lid 1 Wet griffierechten in burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) bepaalde termijn;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [eiseres] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [gedaagde] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2.</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser (in conventie) ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken vanaf het verschuldigd worden daarvan, op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] is het griffierecht op 14 juli 2021 verschuldigd geworden en had dus tot en met 11 augustus 2021 gelegenheid om het griffierecht te betalen. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van [eiseres] pas op 8 september 2021 is ontvangen. Het verschuldigde griffierecht is derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 127a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127a lid 3 Rv laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). In eerste aanleg heeft ontslag van instantie voor de eiser veelal geen fatale gevolgen omdat eiser zijn vordering opnieuw kan instellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt het volgende. [eiseres] heeft de nota’s van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR) niet ontvangen. Op 26 augustus 2021 heeft [eiseres] een tweede aanmaning ontvangen om het griffierecht te voldoen. Het LDCR heeft medegedeeld dat de uiterste betaaldatum 9 september 2021 betrof. Het griffierecht is op 8 september 2021, en daarmee tijdig, voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. De betalingsverplichting en de termijn waarbinnen het griffierecht betaald moet zijn, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Mr. Ramdas dient op grond van zijn deskundigheid en kennis te worden geacht op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan, ongeacht of door de rechterlijke organisatie een nota of nadien nog een aanmaning wordt verstuurd. Niet of niet tijdige ontvangst van de griffierechtnota, maakt de termijnoverschrijding dan ook niet verschoonbaar. Het ligt op de weg van de advocaat om actie te ondernemen om in het bezit te komen van voor de betaling benodigde gegevens. Dat dit niet is gedaan komt voor rekening en risico van mr. Ramdas (en dus van [eiseres] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank zal [gedaagde] dan ook, overeenkomstig het uitgangspunt van de wet, van de instantie ontslaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 952,00 aan griffierecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Nu [gedaagde] zal worden ontslagen van de instantie en hij het betaalde bedrag aan griffierecht zal ontvangen van [eiseres] , behoeft de inhoud van de akte aan de zijde van [gedaagde] geen bespreking. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>ontslaat [gedaagde] van de instantie,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 952,00.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend door de rolrechter en op  20 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar.</para>
        <para>3304/638</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>