<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2021:10358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:21:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/692055-18 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10358">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:10358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-26T12:16:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2021:10358 Rechtbank Rotterdam , 08-10-2021 / 10/692055-18 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2021:10358:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel op € 384.003,68. De rechtbank legt een betalingsverplichting op van € 355.075,84.</para>
        <para>De betalingsverplichting komt op een lager bedrag dan het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit, omdat inmiddels een geldbedrag ten laste van de veroordeelde is geïncasseerd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2021:10358:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/692055-18 (ontneming)</para>
      <para>Datum uitspraak: 8 oktober 2021</para>
      <para>Tegenspraak </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam veroordeelde],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde], </para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres veroordeelde],</para>
      <para>raadsman mr. D.A Siddiqui, advocaat te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>1.Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>2.     Vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 2 januari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot oplegging aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel van <emphasis role="bold">€ 384.003,78</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>3. Standpunt verdediging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, omdat de verdachte geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Subsidiair verzoekt de verdediging om het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel lager te vast te stellen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde € 200.000,00 contant heeft betaald aan [naam] voor het bouwen van huis. Het huis is echter niet gebouwd door [naam], die er met het geld vandoor is gegaan. Omdat de veroordeelde is opgelicht door deze persoon, moet het bedrag van € 200.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de veroordeelde € 147.000,00 heeft betaald aan de architect, [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]), en verzoekt ook dit bedrag in mindering te brengen op de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>4.      Strafbare feiten waarop de voordeelberekening is gebaseerd</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2021 (hierna: het vonnis) is de veroordeelde veroordeeld ter zake van de volgende feiten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>oplichting, meermalen gepleegd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2:</emphasis>
      </para>
      <para>valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een kopie van dit vonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>5.   Beoordeling en berekening wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit is gebleken dat de veroordeelde een hypothecaire lening is aangegaan met [naam bank]hierna: [naam bank]) in de vorm van een bouwdepot. Door middel van valselijk opgemaakte facturen heeft de veroordeelde, gedurende een periode van drie jaar, geld uit het bouwdepot uitbetaald gekregen door [naam bank].<footnote-ref linkend="_1811f420-b6d5-4983-ac68-9a00a64c4bcc" /> De veroordeelde diende facturen in met bedragen voor werkzaamheden die in werkelijkheid niet verricht waren, om op deze manier [naam bank] ertoe te bewegen deze geldbedragen te verstrekken. [naam bank] heeft de geldbedragen, met een totale waarde van € 384.003,68, overgemaakt op een rekening ten name van de veroordeelde. Op dat moment heeft de veroordeelde het voordeel al genoten. Wat de veroordeelde na ontvangst met de gelden heeft gedaan, heeft geen invloed op schatting van het voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer van de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil of op een lager bedrag moet worden geschat omdat veroordeelde daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor de bouw van zijn huis dan wel aan een malafide aannemer heeft betaald, slaagt dan ook niet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank schat het totale voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen gezien het voorgaande op € 384.003,68.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">6.   	Vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte </para>
      <para>wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het eerdergenoemde verweer van de verdediging leidt niet tot vermindering van de betalingsverplichting. De verklaring van de veroordeelde over [naam] is niet aannemelijk geworden. Enige informatie over deze persoon of rekeningafschriften waaruit blijkt dat in totaal € 200.000,- contant is opgenomen ontbreken. Het verweer over de veronderstelde architectenkosten ad € 147.000,- wordt door de rechtbank eveneens verworpen. Dat totaalbedrag is na indiening van de facturen op naam van [naam bedrijf] op de rekening van de veroordeelde gestort en – blijkens zijn verklaring ter terechtzitting – niet aan [naam bedrijf] maar aan hem ten goede gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel is aannemelijk geworden dat [naam bank] een bedrag van € 28.927,84 ten laste van de veroordeelde heeft geïncasseerd. Hierin wordt aanleiding gezien het door de veroordeelde aan de staat te betalen bedrag op een lager bedrag vast te stellen dan het geschatte voordeel, te weten op € 355.075,84. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>7.    Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>8.   Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 384.003,68 (zegge: driehonderdvierentachtigduizend drie euro en achtenzestig cent);</para>
    <para />
    <para>- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 355.075,84 (zegge: driehonderdvijfenvijftigduizend vijfenzeventig euro en vierentachtig cent);</para>
    <para />
    <para>- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door: </para>
      <para>mr. F.A. Hut, voorzitter, </para>
      <para>en mrs. A. Bonder en M.M. Dolman, rechters, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier, </para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1811f420-b6d5-4983-ac68-9a00a64c4bcc" label="1">
    <para> Het proces-verbaal nummer [procesverbaalnummer], met bijlagen, pagina’s 39 tot en met 159 van zaaksdossier Katvogel.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>