<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:9353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-09T11:38:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/997378-15 ontneming</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:9353">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:9353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-19T15:35:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:9353 Rechtbank Rotterdam , 16-10-2020 / 10/997378-15 ontneming</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:9353:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.  Het voordeel dat de verdachte heeft verkregen uit drugshandel en witwassen wordt ontnomen. Het gaat om een bedrag van € 675.128,18.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:9353:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/997378-15</para>
      <para>Datum uitspraak: 16 oktober 2020 (bij vervroeging)</para>
      <para>Tegenspraak (gemachtigd raadsman)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VONNIS (ontneming) (MK)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam veroordeelde],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde],</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres veroordeelde], [woonplaats veroordeelde],</para>
      <para>gemachtigd raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1. </nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat de ontnemingsvordering van de officier van justitie was behandeld op de terechtzitting van 13, 17, 18, 19 april en 30 mei 2018 heeft de rechtbank op 30 mei 2018 een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Op 2 oktober 2020 is de zaak wederom op zitting behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inhoud van het tussenvonnis geldt als hier herhaald en ingelast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>Standpunten partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert de ontneming van een bedrag van € 675.128,18. Dit bedrag betreft enerzijds voordeel verkregen uit witwassen (€ 223.833,18) en anderzijds voordeel uit andere feiten waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde die heeft begaan, namelijk de handel in drugs (€ 451.295,00).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman betoogt dat de rechtbank niet bevoegd is in de ontnemingszaak voor zover het gaat om voordeel dat verkregen is uit de hierna te bespreken ‘Haagse zaak’. Verder betoogt hij dat de rechtbank moet terugkomen op een beslissing uit het tussenvonnis en stelt hij dat het voordeel niet geschat moet worden op de wijze zoals de officier van justitie dat doet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Bevoegdheid van de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft aangevoerd dat voor zover de officier van justitie zijn vordering (mede) baseert op feiten die in het vonnis van de rechtbank Den Haag op 20 december 2019 bewezen zijn verklaard, de rechtbank Rotterdam op grond van art. 349 lid 1 Sv jo art. 2 en 6 Sv niet relatief bevoegd is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>Nu de veroordeelde bij uitspraak van 30 mei 2018 (hierna: het vonnis in de hoofdzaak) door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld, is deze rechtbank ook bevoegd ter zake van de op deze veroordeling gebaseerde ontnemingsvordering. De opvatting dat de rechtbank niet bevoegd is indien de ontnemingsvordering – mede – grondslag vindt in “andere strafbare feiten” die – mogelijk – (deels) in een ander arrondissement zijn gepleegd en die daar zijn berecht, vindt geen steun in het recht.<footnote-ref linkend="_0488191c-23c1-4f8a-89ff-f049d87704fb" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4. </nr>Herbeoordeling van de beslissing uit het tussenvonnis over het witwassen?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank terug moet komen op de beslissing uit het tussenvonnis over het voordeel dat de verdachte uit het witwassen heeft genoten. De rechtbank zou in het tussenvonnis ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het feit dat de veroordeelde in de beginperiode van de handel in bitcoins samenwerkte met medeveroordeelde [naam medeveroordeelde]. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>Het betoog dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de lagere verdiensten in de periode waarin de veroordeelde samen heeft gewerkt met [naam medeveroordeelde] miskent dat de veroordeelde zelf op zitting heeft verklaard dat hij tussen de € 200.000,00 en € 250.000,00 heeft verdiend met de handel in bitcoins. Het in het tussenvonnis begrote voordeel volgt dus uit de eigen verklaring van de verdachte en uit de wettige bewijsmiddelen zoals die in het tussenvonnis worden omschreven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van dit feit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>5 <emphasis role="bold">Beoordeling en berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van het voordeel uit drugshandel</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aanwijzingen voor drugshandel</emphasis>
        </para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde andere strafbare feiten heeft begaan en dat hij voordeel heeft genoten uit deze strafbare feiten. Het gaat om zijn betrokkenheid als medepleger van de handel in MDMA. De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 4.2.3. van het vonnis in de hoofdzaak. Uit de aldaar vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte beschikte over een verpakkingsruimte voor harddrugs en dat hij inkomsten genoot uit de drugshandel. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>In een in beslag genomen notitieblok van de veroordeelde staat een overzicht van de netto-inkomsten uit de drugshandel. Daarin staat een netto-opbrengst van € 451.295,00.<footnote-ref linkend="_37abf03c-2e01-4c35-9e0e-d087517984de" /> Dit bedrag is door de verdediging ook niet betwist. De verdediging heeft echter aangevoerd dat veroordeelde dit bedrag met anderen (“O”, “M”, “A” en “H”) heeft gedeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit verweer wordt verworpen. Het gaat om het notitieblok van de veroordeelde en daarom ligt het voor de hand dat de daarin vermeldde netto-inkomsten zijn eigen netto-inkomsten betreft. Het lag daarom op de weg van de veroordeelde om zijn verweer concreet handen en voeten te geven door uit te leggen hoe de geldstromen liepen. De veroordeelde heeft dit niet voldoende gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de in het notitieblok genoemde bedragen voor “O”, “M”, “A” en “H” al verwerkt waren in de netto-inkomsten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel uit</para>
        <para>hoofde van de drugshandel op € 451.295,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6. </nr>Totale wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de overwegingen uit het tussenvonnis en het voorgaande schat de rechtbank het totale voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen op € 675.128,18. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7. </nr>Vaststelling van het te betalen bedrag</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft aangevoerd dat de betalingsverplichting ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gematigd tot de waarde van de inbeslaggenomen goederen, of subsidiair naar een bedrag iets boven deze waarde. De vermogenstoestand van de veroordeelde is door die inbeslagname reeds teruggebracht tot de situatie van voor de veroordeling van 30 mei 2018. Daarnaast is aan de veroordeelde reeds een lange gevangenisstraf opgelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat er voor een ontneming van deze omvang geen redelijk doel is. Het heeft geen zin om de veroordeelde naast die gevangenisstraf financieel levenslang te geven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>De door de verdediging aangevoerde omstandigheden zijn geen reden voor matiging. Er zijn verder geen concrete feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de veroordeelde naar redelijke verwachting in de toekomst onvoldoende draagkracht zal hebben om het vastgestelde te betalen bedrag aan de staat terug te betalen. Daarom zal worden bepaald dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8. </nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9. </nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 675.128,18 (zegge: zeshonderdvijenzeventigduizend honderdachtentwintig euro en achttien cent);</para>
    <para />
    <para>- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van <emphasis role="bold">€ 675.128,18 (zegge: zeshonderdvijenzeventigduizend honderdachtentwintig euro en achttien cent).</emphasis></para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. N. Doorduijn, voorzitter,</para>
      <para>en mrs. P. van Dijken en F. van Buchem, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I.A.C. van Mulbregt, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongste rechter, de oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0488191c-23c1-4f8a-89ff-f049d87704fb" label="1">
    <para> Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat het openbaar ministerie er voor heeft gekozen om geen ontnemingsvordering aan te brengen in Den Haag. De veroordeelde wordt dus niet twee keer aangesproken voor hetzelfde bedrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37abf03c-2e01-4c35-9e0e-d087517984de" label="2">
    <para> Zie p. 8 van het vonnis in de hoofdzaak. Dit notitieblok wordt verder beschreven in het door [naam], opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD, opgestelde rapport d.d. 15 juni 2016 betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, 5.3.1., p. 9-14.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>