<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-03T09:02:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT EA 19/1488</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=284&amp;g=2011-04-30">Faillissementswet 284</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=288&amp;g=2017-09-01">Faillissementswet 288</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:787">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-03T08:55:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:787 Rechtbank Rotterdam , 22-01-2020 / FT EA 19/1488</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:787:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing Wsnp-verzoek (art. 284, 288 Fw). Eén schuld. Niet te goeder trouw onbetaald gelaten. Geen regeling getroffen en schuldeiser gedwongen om rechtsmaatregelen te treffen. Niet aannemelijk dat verzoekster zich voldoende zal inspannen. Geen blijk gegeven van saneringsgezinde houding. Vermogensbestanddelen buiten beschouwing gelaten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:787:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: [nummer]</para>
      <para>uitspraakdatum: 22 januari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>
        [adres verzoekster]
      </para>
      <para>
        [woonplaats verzoekster] ,</para>
      <para>verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft op 18 oktober 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van </para>
      <para>7 januari 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer [naam 1] , vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders (hierna: [naam 1] ), heeft op 31 december 2019 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster ontvangt inkomsten uit een AOW-uitkering en een aanvullend pensioen. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet </para>
      <para>€ 83.031,76. Uit het verweerschrift en verhandelde ter zitting is gebleken dat de vordering van BSR (€ 241,77) inmiddels volledig is betaald, zodat alleen de vordering van [naam 1] resteert. Volgens het verzoekschrift bedraagt deze € 82.789,99. Volgens [naam 1] bedraagt zijn vordering thans € 66.390,97, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft een schuld aan de heer [naam 1] van - momenteel - € 66.390,97. De schuld vloeit voort uit een tussen [naam 1] en verzoekster gesloten overeenkomst van geldlening. [naam 1] heeft verklaard dat hij steeds bereid is geweest om een acceptabele betalingsregeling te treffen. Verzoekster heeft nagelaten om met [naam 1] een regeling te treffen om de schuld in te lopen, waardoor [naam 1] zich uiteindelijk in 2017 genoodzaakt heeft gezien om een gerechtelijke procedure te starten. In die procedure is verzoekster bij vonnis van 11 juli 2018 veroordeeld tot betaling van € 45.000,-, te vermeerderen met de reeds verschenen rente tot datum dagvaarding (€ 31.504,93) en de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De totale vordering bedroeg aanvankelijk € 82.789,99.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oorspronkelijke vordering is weliswaar ouder dan vijf jaar, maar het is aan de opstelling van verzoekster te wijten dat [naam 1] zich voor de voldoening van zijn schuld tot de rechtbank heeft moeten wenden. De schuld is dan ook niet te goeder trouw blijven voortbestaan. Verzoekster heeft vermogensbestanddelen zoals de jaarlijkse rentebetalingen van in totaal € 3.000,- per jaar die voortvloeien uit de twee schuldigerkenningen uit 2006 en 2007 van de ouders van verzoekster aan verzoekster niet aangewend om de schuld aan [naam 1] te voldoen. Datzelfde geldt voor een bedrag van € 17.500,- dat de heer [naam 2] aan verzoekster verschuldigd was: verzoekster heeft op 3 mei 2018 een ‘bewijs van betaling’ getekend waarin stond vermeld dat [naam 2] haar niets meer verschuldigd was. Dit bleek feitelijk onjuist te zijn en via een derdenbeslag heeft [naam 1] bij [naam 2] het desbetreffende bedrag van € 17.500,- kunnen incasseren. Verzoekster heeft aldus haar schuld aan [naam 1] bewust onbetaald gelaten. Het had op de weg van verzoekster gelegen om eerder, maar in elk geval na het vonnis van 11 juli 2018, met [naam 1] in contact te treden om betalingsregelingen af te spreken voor het inlopen van de schuld en haar toekomende bedragen daartoe aan te wenden. In plaats daarvan heeft verzoekster zich meteen aangemeld bij schuldhulpverlening en getracht om via een dwangakkoord of wettelijke schuldsaneringsregeling tegen minimale vergoeding onder de schuld aan [naam 1] uit te komen. Verzoekster heeft met haar handelen naar het oordeel van de rechtbank geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020. <footnote-ref linkend="_4d952774-7469-4c52-8114-839def5c73ab" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4d952774-7469-4c52-8114-839def5c73ab" label="1">
    <para>
      <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</emphasis>
    </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>