<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:5261</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-22T09:00:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">KTN-8336363_19062020</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:5261">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:5261</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-17T08:20:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:5261 Rechtbank Rotterdam , 19-06-2020 / KTN-8336363_19062020</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:5261:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzet; buitengerechtelijke kosten; vertraging girale overboeking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:5261:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8336363 \ CV EXPL  20-5774</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 19 juni 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">STEDIN BEHEER B.V.</emphasis>, <?linebreak?>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>eiser in de initiële procedure,</para>
      <para>geopposeerde in de verzetprocedure,</para>
      <para>gemachtigde: Bosveld Incasso en gerechtsdeurwaarders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <?linebreak?><emphasis role="bold">[gedaagde]</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] , <?linebreak?>gedaagde in de initiële procedure,</para>
      <para>opposant in de verzetprocedure,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B. van Nieuwaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als “Stedin” en “ [gedaagde] ”.</para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het initiële exploot van dagvaarding van 18 november 2019, met producties; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het op 23 januari 2020 onder zaaknummer 8248434 \ CV EXPL  20-638 gewezen verstekvonnis;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de verzetdagvaarding van 17 februari 2020, met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord in oppositie, met één productie;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van repliek in oppositie, met één productie.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>Uitgegaan wordt van de volgende feiten:<?linebreak?></para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Stedin heeft ten behoeve van [gedaagde] elektriciteit vervoerd naar een tweetal aansluitadressen van [gedaagde] en ten behoeve van [gedaagde] de betreffende aansluitingen in stand gehouden. [gedaagde] heeft ten behoeve van deze diensten met Stedin een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst).  <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Voor de diensten voor de maand mei 2019 zijn door Stedin op 5 juni 2019 aan [gedaagde] factuur [factuurnummer 1] ad € 6.374,51 en factuur [factuurnummer 2] ad € 5.671,14 verzonden.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Stedin heeft [gedaagde] bij brieven van 20 juni 2019 aangemaand de facturen van 5 juni 2019 te betalen, zonder bijkomende incassokosten indien deze bedragen uiterlijk op 7 juli 2019 op haar rekening zouden zijn bijgeschreven. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>4. [gedaagde] heeft op 5 juli 2019 een betalingsopdracht gegeven voor de bedragen van € 6.374,51 en € 5.671,14. Deze bedragen zijn op 8 juli 2019 op de rekening van Stedin bijgeschreven. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>De vordering, de grondslag en het verweer</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Stedin heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van in totaal € 1.352,29 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 13 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Stedin heeft aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is uit hoofde van de tussen partijen bestaande overeenkomst gehouden tot betaling voor de aan haar geleverde diensten. De in dit kader verschuldigde bedragen van € 6.374,51 en € 5.671,14 zijn niet binnen de betaaltermijn noch voor de in de aanmaningen genoemde uiterste betalingsdatum door [gedaagde] voldaan. Nu [gedaagde] daarmee in gebreke is gebleven met de tijdige betaling is zij de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.352,29 (€ 693,73 en € 658,56) verschuldigd. Stedin heeft de betaling conform 6:44 BW eerst in mindering gebracht op de rente en kosten, zodat [gedaagde] nog een bedrag van € 1.352,29 aan hoofdsom en de daarover verschuldigde handelsrente verschuldigd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling van het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De kantonrechter gaat ervan uit dat [opposant] tijdig in verzet is gekomen, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Uit het door [opposant] als productie 4 bij de verzetdagvaarding overgelegde afschrift van de BNG bank volgt dat de facturen door haar zijn betaald met vermelding van de betreffende factuurnummers [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] . Nu [opposant] daarmee expliciet te kennen heeft gegeven op welke openstaande facturen de betalingen in mindering diende te strekken, heeft Stedin deze betalingen op grond van het bepaalde in artikel 6:43 lid 1 BW niet mogen toerekenen aan de openstaande buitengerechtelijke kosten. Het gevorderde bedrag van € 1.352,29 heeft dan ook betrekking op buitengerechtelijke kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Niet in geschil is dat [opposant] de facturen met nummers [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan. Stedin heeft [opposant] echter bij brief van 20 juni 2019 nog een extra betalingstermijn gegeven, waarbij geen buitengerechtelijke incassokosten in rekening gebracht zouden worden indien de factuurbedragen alsnog uiterlijk op 7 juli 2019 op de rekening van Stedin zouden zijn bijgeschreven. [opposant] heeft niet weersproken dat deze bedragen door Stedin eerst op 8 juli 2019 op haar rekening zijn ontvangen, zodat zij in beginsel te laat heeft betaald en de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Dat het slechts gaat om een geringe overschrijding van een dag is daarbij niet relevant.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        [opposant] heeft aangevoerd dat zij de betalingsopdracht voor de openstaande bedragen  heeft gegeven op vrijdag 5 juli 2019, zodat zij er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat de hoofdsom binnen de door Stedin gestelde termijn zou worden ontvangen. Dit verweer gaat echter niet op. Het risico van de tijdige ontvangst van de betalingen rust in beginsel op [opposant] en van overmacht aan de zijde van [opposant] is niet gebleken. [opposant] heeft na de onbetwiste ontvangst van de brieven van 20 juni 2019 voldoende gelegenheid gehad om de facturen alsnog tijdig te voldoen. Met het pas op 5 juli 2019 – twee weken na dagtekening van de aanmaning en op de laatste werkdag voor het weekend – geven van de betalingsopdracht aan haar bank, heeft [opposant] redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat de betalingen mogelijk, al dan niet als gevolg van een vertraging in het bancaire betalingssysteem, pas op maandag 8 juli 2019 op de rekening van Stedin zouden zijn bijgeschreven. Dat de betalingen te laat zijn ontvangen komt dan ook voor rekening en risico van [opposant] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Voorts heeft [opposant] bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de buitengerechtelijke kosten en aangevoerd dat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Daarnaast betwist zij dat door Stedin daadwerkelijk de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Stedin heeft terecht gesteld dat, aangezien tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW, [opposant] op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW reeds zonder aanmaning een vergoeding verschuldigd is  voor redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte vanaf de dag volgende op de dag waarop de wettelijke of overeengekomen uiterste dag van betaling is verstreken. Aangezien [opposant] de facturen evenmin binnen de nader aan haar gegunde termijn heeft voldaan, is zij de buitengerechtelijke kosten verschuldigd geworden. Nu echter beide facturen en aanmaningen dateren van dezelfde datum en Stedin niet heeft onderbouwd waarom voor beide vorderingen afzonderlijke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn vereist, zullen de buitengerechtelijke kosten worden berekend op basis van het niet tijdig betaalde totaalbedrag van € 12.045,65, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 895,46 dat gelet op de gebruikelijke tarieven redelijk is.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Aangezien de vordering betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten en daarmee niet is gebaseerd op een handelsovereenkomst, is de gevorderde handelsrente ex artikel 6:119a BW niet toewijsbaar. Voorts is niet gesteld of gebleken dat Stedin de gevorderde buitengerechtelijke kosten reeds aan haar incassogemachtigde heeft betaald, zodat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten zal worden afgewezen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>
        [opposant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de initiële procedure en de verzetprocedure.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
      <para>
        <?linebreak?>vernietigt het op 23 januari 2020 onder zaaknummer 8248434 \ CV EXPL  20-638 gewezen </para>
      <para>verstekvonnis;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en opnieuw rechtdoende:</emphasis>
        <?linebreak?>veroordeelt [gedaagde] om aan Stedin te betalen een bedrag van € 895,46;</para>
      <para>
        <?linebreak?>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de initiële procedure en de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stedin vastgesteld op € 585,40 aan verschotten en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>590</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>