<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:4101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T15:41:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8306927 / CV EXPL 20-4401</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:4101">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:4101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T15:40:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:4101 Rechtbank Rotterdam , 10-04-2020 / 8306927 / CV EXPL 20-4401</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:4101:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot betaling kosten onderhoudsabonnement. Uitlatingen gedaagde tijdens eerdere procedure aangemerkt als opzegging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:4101:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8306927 / CV EXPL 20-4401</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 10 april 2020 (bij vervroeging)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>
      [eiser 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[eiser 2]</emphasis></para>
      <para>(beiden vennoten in [bedrijf] ), </para>
      <para>beiden wonende te [woonplaats eisers] , </para>
      <para>eisers bij exploot van dagvaarding van 31 januari 2020, </para>
      <para>gemachtigde: Actis Jura B.V. te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] </emphasis>(handelend onder de naam [handelsnaam] ),</para>
      <para>zaakdoende te [plaatsnaam] , </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het exploot van dagvaarding van 31 januari 2020, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aantekeningen van 18 februari 2020 van het antwoord van gedaagde alsmede de bij die gelegenheid door gedaagde in het geding gebrachte producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 18 februari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de op 13 maart 2020 gehouden mondelinge behandeling.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bij vervroeging bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 15 april 2009 zijn partijen overeengekomen dat eisers met ingang van 16 juli 2009 in opdracht en voor rekening van gedaagde een <emphasis role="italic">“ADBplus 2000 Pro Standalone Onderhoudsabonnement”</emphasis> aan hem ter beschikking stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van eisers van toepassing. Deze algemene voorwaarden luiden, voor zover thans van belang, als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(..) ADS International behoud zich het recht voor na afloop van elke termijn van 12 maanden het abonnementstarief in redelijkheid aan te passen. (..) Het onderhoudsabonnement wordt aangegaan voor de duur van 12 maanden en zal telkens stilzwijgend voor een gelijke periode worden verlengd, behoudens opzegging per aangetekende brief 3 (drie) maanden voor het verstrijken van de termijn. (..)”</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij factuur van 1 juli 2017 hebben eisers een bedrag van € 131,89 voor het onderhoudsabonnement bij gedaagde in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij onder zaaknummer 5832417 / CV EXPL 17-10574 gewezen vonnis van 22 september 2017 is gedaagde veroordeeld tot betaling aan eisers van de kosten voor het onderhoudsabonnement over de jaren 2015 en 2016.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij factuur van 1 juli 2018 hebben eisers een bedrag van € 131,89 voor het onderhoudsabonnement bij gedaagde in rekening gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisers hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hen te betalen een bedrag van </para>
        <para>€ 348,68, waarvan € 263,78 aan hoofdsom, € 44,90 aan vervallen rente en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 263,78 vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan hun vordering hebben eisers - zakelijk weergegeven en voor zover thans van </para>
        <para>belang - het volgende ten grondslag gelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ondanks herhaalde aanmaning is gedaagde in gebreke gebleven met betaling van de facturen van respectievelijk 1 juli 2017 en 1 juli 2018. Hij is derhalve in verzuim geraakt. Eisers zagen zich genoodzaakt hun vordering ter incasso uit handen te geven en hebben daarom buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, die, evenals de wettelijke rente, op grond van de wet voor rekening van gedaagde komen. Voor de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten hebben eisers aansluiting gezocht bij het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij e-mailbericht van 4 juli 2012 heeft gedaagde de overeenkomst met eisers opgezegd. Deze opzegging hebben eisers bevestigd bij e-mailbericht van diezelfde datum. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft gedaagde de overeenkomst nogmaals opgezegd. Dit is al de derde procedure die eisers tegen hem voeren. In de eerste procedure is gedaagde in het gelijk gesteld, maar in de tweede procedure is hij veroordeeld tot betaling van de kosten voor het onderhoudsabonnement omdat hij niet aanwezig kon zijn bij de comparitie van partijen in die procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling </title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eisers hebben erkend dat gedaagde de overeenkomst tussen partijen op 30 oktober 2018 heeft opgezegd. Volgens eisers is die overeenkomst daarom pas per 1 januari 2019 geëindigd en dient gedaagde de kosten voor het onderhoudsabonnement over 2017 en 2018 nog te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde daartoe niet gehouden is. Gedaagde heeft immers tijdens de procedure die tot het vonnis van 22 september 2017 heeft geleid op<?linebreak?>28 maart 2017 het verweer gevoerd dat hij de overeenkomst tussen partijen wilde opzeggen en dat hij zulks op 4 juli 2012 ook door middel van een e-mailbericht heeft gedaan. Wat er ook zij van de door gedaagde gestelde opzegging van 4 juli 2012, voor eisers was in ieder geval vanaf het moment dat gedaagde zich heeft verweerd in de eerdere procedure duidelijk dat hij een opzegging van de overeenkomst tussen partijen wenste. Daarom kunnen deze uitlatingen van gedaagde tijdens die procedure naar het oordeel van de kantonrechter worden aangemerkt als een opzegging. Dat die opzegging niet bij aangetekende brief heeft plaatsgevonden, zoals voorgeschreven in de toepasselijke algemene voorwaarden, kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Vaststaat immers dat eisers hebben kunnen kennis nemen van de wens van gedaagde om de overeenkomst op te zeggen, zodat aangenomen moet worden dat zij geen belang meer hadden bij een schriftelijke en aangetekende bevestiging daarvan. Een en ander betekent derhalve dat de overeenkomst tussen partijen reeds is geëindigd vóór het moment dat de lopende termijn van 12 maanden op 15 juli 2017 verstreken was en er vanaf 16 juli 2017 weer een nieuwe termijn van 12 maanden zou gaan lopen. Gedaagde is daarom niet gehouden tot betaling van de facturen van respectievelijk 1 juli 2017 en 1 juli 2018. De vordering wordt dan ook afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Eisers worden, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van gedaagde op nihil worden begroot, nu hij de procesvoering in eigen hand heeft gehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt eisers in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>32109</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>