<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:3149</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T15:16:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8321074 VV EXPL 20-61</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2020-0423</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2020-0423</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:3149">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:3149</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-09T11:05:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:3149 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2020 / 8321074 VV EXPL 20-61</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:3149:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>einde dienstverband, loonvordering ivm eindafrekening</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:3149:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8321074 VV EXPL 20-61</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 25 maart 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiseres] ,</para>
      <para>eiseres bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2020,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.T. Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>handelend onder de naam [handelsnaam] ,</para>
      <para>kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>die niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennis genomen van de dagvaarding, met producties;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020. Eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.T. Tilburg. Gedaagde is zonder bericht van verhindering niet verschenen. <?linebreak?>Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De vordering</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiseres heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan haar te betalen het bedrag van € 6.973,14 bruto aan achterstallig loon, vakantietoeslag en opgebouwde, doch niet genoten vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente, met de veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Aan de vordering heeft eiseres – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>Eiseres is op 1 juli 2019 in dienst getreden bij gedaagde, aanvankelijk voor 34 uur per week en per september 2019 voor 40 uur per week. Haar salaris bedroeg aanvankelijk € 992,16 per maand en per 1 september € 1.635,60 per maand. De arbeidsovereenkomst is per 1 januari 2020 door eiseres zelf opgezegd met onmiddellijke ingang. Gedaagde heeft berust in die opzegging van de arbeidsovereenkomst.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Gedaagde heeft het aan eiseres verschuldigde loon slechts gedeeltelijk voldaan. De loonbetalingsachterstand bedraagt tot en met december 2019 € 5.685,00.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3</nr>
        <para>Gedaagde heeft voorts de aan eiseres toekomende vakantietoeslag niet betaald, zijnde een bedrag van € 682,14.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.4</nr>
        <para>Eiseres had bij het einde van het dienstverband nog 69,34 vakantie-uren tegoed, die zij niet had opgenomen. Gedaagde heeft deze uren, zijnde een som van € 660,00, evenmin uitbetaald.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.5</nr>
        <para>Eiseres maakt verder aanspraak op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW ad 50% over het totale bedrag van € 6.973,14 dat zij van gedaagde te vorderen heeft. De wettelijke verhoging  van 50% bedraagt derhalve € 3.513,57.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.6</nr>
        <para>Eiseres maakt ook aanspraak op de wettelijke vertragingsrente.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
        </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Nu ten aanzien van gedaagde de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, wordt tegen haar verstek verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Voldoende is gebleken dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van eiseres in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De vordering komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en deze wordt dan ook toegewezen voor zover hierna niet anders blijkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Zoals hiervoor ook al overwogen heeft eiseres haar totale tegoed, exclusief de wettelijke verhoging van 50%, becijferd op een bedrag van € 6.973,14. In werkelijkheid correspondeert de som van de drie bedragen die eiseres vordert (te weten € 5.685,- + <?linebreak?>€ 682,14 + € 660,-) met een totaal bedrag van € 7.027,14. De kantonrechter is niet bevoegd een hoger bedrag toe te wijzen dan gevorderd, zodat toewijsbaar is eerstgenoemd bedrag van € 6.973,14. De daarover gevorderde wettelijke verhoging van 50% is eveneens toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Nu eiser procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>rechtdoende in kort geding:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen het netto equivalent van € 6.973,14 bruto aan achterstallig loon, vakantietoeslag en onbenutte vakantie-uren, zulks onder overlegging van een deugdelijke bruto-netto specificatie, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50%, ten bedrage van € 3.486,57, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over beide bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 236,00 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor haar gemachtigde<emphasis role="italic">, </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>898</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>