<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:1888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-04T09:28:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/576142 / HA ZA 19-555</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:1888">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:1888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-04T09:27:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:1888 Rechtbank Rotterdam , 26-02-2020 / C/10/576142 / HA ZA 19-555</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:1888:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beslissing na tussenvonnis waarbij eiseres is toegelaten tot bewijs van haar stelling dat de (ver)koopsom voor een perceel met bedrijfspand € 2.800.000.00 bedroeg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:1888:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ecbeffe5-af0b-469f-b3d8-24d740b15605" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2f61e818-7fae-441e-9bc1-2b9f7c138cf8" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/576142 / HA ZA 19-555</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 februari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ELDERS CONSULTANCY B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Castricum,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. E.M.J. van Haaren te Maastricht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VEHOLD B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[naam gedaagde]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te Zoetermeer,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. N.F. Barthel te Zoetermeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna Elders Consultancy, Vehold en [naam gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 13 november 2019 (verder het “tussenvonnis”),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van 27 november 2019 van Elders Consultancy,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte van 8 januari 2020 van Vehold en [naam gedaagde] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij tussenvonnis is Elders Consultancy toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de (ver)koopsom voor het perceel met bedrijfspand € 2.800.000,00 bedroeg.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit de door Elders Consultancy bij akte van 27 november 2019 overgelegde notariële akte van levering van 20 mei 2019 blijkt dat de (ver)koopprijs € 2.907.712,28 bedroeg, inclusief btw (€ 2.403.068,00 exclusief btw). Vehold en [naam gedaagde] hebben bij antwoordakte een afschrift van dezelfde notariële akte overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Nu uit de door Elders Consultancy overgelegde notariële akte blijkt dat de daadwerkelijke (ver)koopprijs hoger was dan de door Elders Consultancy te bewijzen (ver)koopprijs, is de rechtbank van oordeel dat Elders Consultancy in de haar gegeven bewijsopdracht is geslaagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In de door Elders Consultancy zelf opgestelde e-mail van 14 juni 2018, 12:03u is echter slechts vermeld “<emphasis role="italic">1,5% van de verkoopsom</emphasis>”. Of daarmee de verkoopsom inclusief btw of exclusief btw bedoeld wordt, blijkt niet uit deze e-mail en ook niet uit andere correspondentie. Elders Consultancy heeft niet expliciet gesteld, laat staan onderbouwd, dat overeengekomen is dat de provisie van 1,5% ook berekend zou worden over de bij de transactie verschuldigde btw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Vehold en [naam gedaagde] hebben daarentegen in de antwoordakte gemotiveerd betwist dat de provisie mede over de verschuldigde btw berekend zou moeten worden. Het is de rechtbank daarnaast ambtshalve bekend dat het, tussen ondernemers onderling, gebruikelijk is om in de communicatie over en weer prijzen exclusief btw te hanteren. In dat licht is de rechtbank van oordeel dat in dit geval slechts een provisie toewijsbaar is van 1,5% over de koopsom exclusief btw. De over het provisiebedrag zelf verschuldigde (en ook gevorderde) btw is wél toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de vordering van Elders Consultancy daarom als volgt toewijzen:</para>
        <para>Provisie (1,5% x € 2.403.068,00)	€ 36.046,02</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">btw over provisie (21%)		€   7.569,66+</emphasis>
        </para>
        <para>Totaal				€ 43.615,68</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het tussenvonnis al geoordeeld dat de bemiddelingsovereenkomst is gesloten tussen Elders Consultancy enerzijds en Vehold anderzijds (randnummer 4.11 van het tussenvonnis). Het onder 2.6 vastgestelde bedrag zal daarom ten laste van Vehold worden toegewezen. [naam gedaagde] is blijkens de dagvaarding enkel subsidiair in het geding betrokken, voor zover de rechtbank zou oordelen dat Vehold niet contractueel zou zijn verbonden. Nu de rechtbank met het voorgaande tot het oordeel komt dat Vehold wel contractueel is verbonden jegens Elders Consultancy, kunnen de stellingen ten aanzien van [naam gedaagde] verder onbesproken blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding, omdat niet voldoende gemotiveerd is gesteld wanneer het verzuim is ingetreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Vehold zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Elders Consultancy worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	87,99</para>
      <para>- griffierecht		1.992,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	2.685,00</emphasis> (2,5 punten × tarief € 1.074,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	4.764,99</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt Vehold om aan Elders Consultancy te betalen een bedrag van € 43.615,68 (drieënveertigduizendzeshonderdvijftien euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW met ingang van 6 juni 2019 tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt Vehold in de proceskosten, aan de zijde van Elders Consultancy tot op heden begroot op € 4.764,99,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt Vehold in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Vehold niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2020.</para>
        <para>[3195/2221]</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>