<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:11815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-18T10:40:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">608638 / HA RK 20-1248</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:11815">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:11815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-18T10:39:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:11815 Rechtbank Rotterdam , 17-12-2020 / 608638 / HA RK 20-1248</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:11815:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen. Beslissing van de rechter om het onderzoek in raadkamer niet op verzoek van verzoeker te onderbreken vóór het gebruik maken van het laatste woord. Processuele beslissing die valt binnen de taak van de rechter om ter terechtzitting de goede procesorde te bewaken en de regie te voeren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:11815:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meervoudige kamer voor wrakingszaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer /  rekestnummer: 608638 / HA RK 20-1248</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 17 december 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. C.G. van de Grampel</emphasis>, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team straf 2 (hierna: de rechter).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop en de processtukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 25 november 2020 heeft de rechter het door verzoeker ingediende bezwaarschrift van 28 november 2019 behandeld dat is gericht tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Die procedure draagt als parketnummer 10/750154-15 en als raadkamernummer 19/3044.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de wraking van de rechter verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker, mr. L.J.H. Kortz, die verzoeker op de zitting van 25 november 2020 bijstond, de rechter en de officier van justitie mr. W.D. van den Berg zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.</para>
      <para>De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 27 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 10 december 2020 te 10:00 uur zijn verschenen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de rechter;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de officier van justitie mr. J. Spaans. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 10 december 2020 om 04:31 uur heeft verzoeker per e-mail een verzoek om uitstel van de zitting gedaan. Daaraan heeft hij – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat hij vernomen heeft dat zijn advocaat niet op de zitting aanwezig zal zijn en dat hij zelf ‘vanwege lichamelijke en fysieke klachten’ niet in staat is om de zitting bij te wonen. Dit verzoek heeft de wrakingskamer om 09:04 uur bereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer heeft dit verzoek op de zitting afgewezen. De advocaat van verzoeker heeft reeds op de zitting waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gedaan te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het verzoek van zijn cliënt en onmiddellijk de verdediging neergelegd. Verzoeker was dus reeds twee weken van deze omstandigheid op de hoogte. Voorts heeft verzoeker de gestelde lichamelijke klachten op geen enkele wijze gespecificeerd of onderbouwd. Onder deze omstandigheden heeft de wrakingskamer het belang van een spoedige behandeling van het wrakingsverzoek zwaarder laten wegen dan het belang van verzoeker om bij die behandeling aanwezig te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer heeft vervolgens het wrakingsverzoek behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter en de officier van justitie hebben hun standpunt (nader) toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de e-mail van verzoeker aan de wrakingskamer van 26 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek en de reactie daarop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.1</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2020 en de e-mail van verzoeker van 26 november 2020 volgt dat verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de rechter niet heeft willen voldoen aan zijn verzoek om de zitting even te schorsen voor overleg met zijn advocaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.2</emphasis>
      </para>
      <para>De rechter heeft niet in de wraking berust.  </para>
      <para>De rechter heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Er is geen sprake geweest van vooringenomenheid of feiten en omstandigheden die grond zouden kunnen vormen voor gerechtvaardigde vrees daarvoor. </para>
      <para>Na de feitelijke behandeling van het bezwaarschrift, de toelichtingen daarop van de raadsman en de verzoeker, alsmede het standpunt van de officier van justitie, heeft de rechter verzoeker als laatste nog de gelegenheid gegeven wat te zeggen. Verzoeker vroeg de rechter vervolgens om de zaak te schorsen voor overleg met zijn advocaat. Op de vraag van de rechter waarom verzoeker die schorsing op dat moment wilde bracht verzoeker een aantal ‘meningen’ over de officier van justitie ten berde. De rechter heeft toen gezegd dat ze de zaak om die reden niet zou schorsen en dat verzoeker nu de gelegenheid zou krijgen om als laatste wat te zeggen. Daarop gaf verzoeker aan de rechter te wraken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.3</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat geen sprake is geweest van een uitzonderlijke omstandigheid die zwaarwegende aanwijzingen op heeft geleverd voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.1</emphasis>
      </para>
      <para>Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.2</emphasis>
      </para>
      <para>Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.3</emphasis>
      </para>
      <para>Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van de aanwezigheid van een zwaarwegende aanwijzing en overweegt daartoe als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing van de rechter om het onderzoek in raadkamer niet op verzoek van verzoeker te onderbreken vóór het gebruik maken van het laatste woord betreft een beslissing van processuele aard die valt binnen de taak van de rechter om ter terechtzitting de goede procesorde te bewaken en de regie te voeren. Deze beslissing levert dan ook geen aanwijzing op voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Over hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd is evenmin gebleken dat sprake is van een dergelijke aanwijzing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">3.5</emphasis>
        </para>
        <para>Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst af het verzoek tot wraking van mr. C.G. van de Grampel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. I.K. Rapmund en mr. A. Verweij, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door mr. A. Verweij uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2020 in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier en door hen ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: </para>
      <para>aan: </para>
    </parablock>
    <para>- </para>
    <para>- </para>
    <para>- </para>
    <para>- </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>