<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:11566</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-15T09:59:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8579530 CV EXPL 20-19778</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:11566">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:11566</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-15T09:57:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:11566 Rechtbank Rotterdam , 20-11-2020 / 8579530 CV EXPL 20-19778</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:11566:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot betaling van niet-betaalde factuur toegewezen minus een korting die op de werkopdracht vermeld staat. Repliek is te laat ingediend, dus wordt buiten beschouwing gelaten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:11566:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8579530 CV EXPL 20-19778</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 20 november 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rüttchen Automotive B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Breda,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>aanvankelijk procederend bij gemachtigde: ACCS Gerechtsdeurwaarders B.V. te Eindhoven,</para>
      <para>gemachtigde: CollactiveBMK Incasso B.V. te Eindhoven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde], </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>voor wie [naam 1] heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als “Rüttchen” en “[gedaagde]”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het exploot van dagvaarding van 5 juni 2020, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het schriftelijke antwoord van [gedaagde], met producties.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Rüttchen is in de gelegenheid gesteld uiterlijk op de rolzitting van 24 september 2020 een conclusie van repliek te nemen. De kantonrechter constateert dat de griffie van de rechtbank deze conclusie pas op 28 september 2020 ontvangen heeft. Bij brief van 6 oktober 2020 heeft de rechtbank de gemachtigde van Rüttchen verzocht een faxbewijs te overleggen, daar in het begeleidend schrijven staat dat de conclusie vooruit per fax is verzonden. De gemachtigde van Rüttchen heeft daar niet op gereageerd, hetgeen ertoe leidt dat voorbij gegaan zal worden aan de inhoud van de conclusie van repliek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De uitspraak van dit vonnis is derhalve bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.</para>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op aanvraag van [gedaagde] heeft Rüttchen een werkopdracht aangemaakt (nummer 398290) ten behoeve van een reparatie aan de auto van [gedaagde] (kenteken [kentekennummer]). Vervolgens heeft Rüttchen deze auto afgesleept, de pomp vervangen en de koelwaterslang vastgezet, uit hoofde waarvan Rüttchen de navolgende facturen in rekening heeft gebracht:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Omschrijving</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Datum</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Bedrag</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Factuur 30612229</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>18-08-2016</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 2.381,50</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Factuur 30615079</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>29-08-2016</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 229,11</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op de voormelde werkopdracht staat de volgende tekst vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) Dhr. [naam 2] krijgt nog 200,- incl. BTW korting / toezegging JWU (d.d. 03-16) (…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zoals vermeld onder 2.1 zijn de door Rüttchen gehanteerde algemene leverings- en betalingsvoorwaarden van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft de facturen ten bedrage van in totaal € 2.610,61 (€ 2.381,50 + </para>
        <para>€ 229,11) onbetaald gelaten. Bij brieven van (onder meer) 15 november 2016, 14 februari 2017, 23 februari 2017 en 7 april 2017 heeft Rüttchen [gedaagde] gesommeerd dit bedrag alsnog te betalen. Sedert de brief van 14 februari 2017 heeft Rüttchen eveneens buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 386,06 in rekening gebracht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>De vordering</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Rüttchen heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rüttchen te voldoen een bedrag van € 3.719,36, vermeerderd met a) primair: de contractuele vertragingsrente ad 12% per jaar over € 2.610,61, althans b) subsidiair: de wettelijke handelsrente over € 2.610,61, vanaf 27 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Aan haar vordering heeft Rüttchen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang –  ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de facturen als vermeld onder 2.1 ten bedrage van in totaal € 2.610,61 onbetaald heeft gelaten. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] voelde Rüttchen zich genoodzaakt haar gemachtigde in te schakelen en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten ad € 386,06 dienen voor rekening van [gedaagde] te komen. </para>
        <para>Voorts maakt Rüttchen aanspraak op de contractuele rente van 1% per maand uit hoofde van de algemene voorwaarden vanaf de vervaldata van iedere factuur. De verschenen rente bedraagt € 722,69 berekend tot en met 27 maart 2020. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4. </nr>Het verweer</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ter verweer aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bijna 4 jaar na de ontvangst van de facturen krijgt [gedaagde] een dagvaarding, terwijl zij nooit eerder enige aanmaning heeft ontvangen. Op de producties van Rüttchen staat ook nergens “per aangetekende en gewone post verzonden” vermeld. De facturen zijn [gedaagde] totaal ontschoten in de afgelopen jaren en vanuit dat oogpunt is het redelijk de contractuele rente te verlagen naar een vast bedrag van € 150,00. Immers, als Rüttchen [gedaagde] eerder gedagvaard had, was het rentebedrag nooit zo hoog opgelopen. </para>
        <para>Verder dient Rüttchen een creditnota van € 200,00 te maken, gelet op de tekst die vermeld staat op de werkopdracht (zie 2.2). Dat bedrag moet vervolgens in mindering worden gebracht op de totale vordering. [gedaagde] stelt voor om de vordering die dan overblijft te betalen over een periode van 6 maanden waar tegenover een boete gesteld mag worden van € 1.000,00 als zij zich niet aan de afspraken houdt. Deze boete kan in het vonnis gezet worden als direct opeisbaar. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Op de overige stellingen van partijen zal hierna – indien van belang voor de uitkomst van deze procedure – worden teruggekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft erkend dat zij de facturen zoals vermeld onder 2.1 onbetaald heeft gelaten, maar zij betwist de hoogte van het totaalbedrag van € 2.610,61 in die zin dat zij aanvoert dat Rüttchen de door haar toegezegde korting van € 200,00 nog niet in mindering heeft gebracht op de twee gevorderde factuurbedragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Uit de tekst van de werkopdracht – zoals geciteerd onder 2.2 – valt op te maken dat er een kortingsafspraak is gemaakt ten bedrage van € 200,00. Daaruit blijkt niet, althans niet in directe zin, dat die korting geen betrekking heeft of kan hebben op onderhavige facturen. Het had derhalve op de weg van Rüttchen gelegen om het verweer van [gedaagde] op voldoende wijze te ontkrachten. Dat heeft Rüttchen niet gedaan. Zoals hiervoor reeds aangegeven heeft zij immers verzuimd om tijdig een conclusie van repliek in te dienen, zodat deze buiten beschouwing wordt gelaten. Nu voornoemde verweer niet is weersproken en overigens deugdelijk is onderbouwd zal de korting van € 200,00 in mindering worden gebracht op de onderhavige factuurbedragen, zodat terzake een bedrag van € 2.410,61 toewijsbaar is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering tot vergoeding van de vervallen contractuele rente zal worden afgewezen, nu Rüttchen bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. Rüttchen heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom vervallen rente berekend. </para>
        <para>Daar verder niet in geschil is dat een contractuele rente van 1% per maand is overeengekomen en het hier een handelsovereenkomst betreft, zal de kantonrechter deze rentevorm toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding. Het verzoek tot matiging van de hoogte van deze rente aan de zijde van [gedaagde] dient met uiterste terughoudendheid te worden gehonoreerd. [gedaagde] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die buiten haar eigen risicosfeer liggen, wat met zich brengt dat de kantonrechter haar verweer omtrent dit punt zal passeren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Voorts maakt Rüttchen aanspraak op een bedrag van € 386,06 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarbij verwijst Rüttchen naar de door haar verstuurde aanmaningen zoals weergegeven onder 2.4. Een aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daarom heeft een aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Op Rüttchen rust de bewijslast dat aan de eisen van artikel 6:96 lid 2 sub c BW is voldaan. Het had derhalve op de weg van Rüttchen gelegen om, tegenover de betwisting van [gedaagde], gemotiveerd te stellen dat ten minste één aanmaning aangetekend is verstuurd of dat op andere wijze kan worden vastgesteld dat [gedaagde] enige aanmaning heeft ontvangen. Nu de conclusie van repliek buiten beschouwing wordt gelaten, kan in deze procedure niet als voldoende vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] sinds de ontvangst van de facturen zelf enig poststuk vanuit (de gemachtigde van) Rüttchen heeft ontvangen. Het gevolg hiervan is dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW slechts toewijsbaar is voor een bedrag van € 40,00. Dit bedrag zal worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een betalingsregeling zou willen treffen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen zonder de toestemming van de eisende partij, in dit geval Rüttchen. Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het eventueel treffen van een betalingsregeling met Rüttchen wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van Rüttchen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Rüttchen. Deze worden tot heden vastgesteld op € 586,98 aan verschotten (te weten € 499,- griffierechten, € 83,38 explootkosten en € 4,60 leges) alsmede € 210,- aan gemachtigdesalaris (1 punt à € 210,-).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Rüttchen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.450,61 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand over een bedrag van € 2.410,61 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rüttchen vastgesteld op € 586,98 aan verschotten en € 210,00 aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>44240</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>