<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2020:10786</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-09T10:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8487909</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:10786">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:10786</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-01T09:02:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2020:10786 Rechtbank Rotterdam , 04-12-2020 / 8487909</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2020:10786:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbintenissenrecht. Opzegging overeenkomst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2020:10786:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8487909 CV EXPL 20-13111</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 4 december 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiseres],</para>
      <para>voorheen handelend onder de naam <emphasis role="underline">[handelsnaam]</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: [naam gemachtigde 1] te [plaats 1] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [gedaagde],</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] , </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: [naam gemachtigde 2] te [plaats 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennisgenomen van: </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding met producties van 24 april 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord met producties van 7 juli 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van repliek met producties van 4 augustus 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van dupliek met producties van 29 september 2020.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De feiten</title>
    <para>Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft in 2013 aan [gedaagde] een licentie verleend, behorende bij het Modelkantoorhandboek van de NOvA.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft voor de licentie bij factuur van 3 oktober 2016 € 272,25 bij [gedaagde] in rekening gebracht, bij factuur van 3 oktober 2017 € 272,25, bij factuur van 3 oktober 2018 </para>
        <para>€ 272,25 en bij factuur van 3 oktober 2019 ook € 272,25, bij elkaar 1.089,00.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] schrijft in een e-mail aan [eiseres] van 3 februari 2016, over een factuur waarvan in deze zaak geen betaling wordt gevorderd:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wij hebben vorig jaar september 2015 het abonnement opgezegd. Wij kunnen derhalve uw factuur niet plaatsen. Wij vernemen graag van u.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [eiseres] schrijft in reactie op de voorgaande e-mail op 3 februari 2016 aan [gedaagde] :</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Wij hebben geen opzegging van u ontvangen. Op welke wijze heeft u deze verzonden? Om zeker ervan te zijn dat wij een officiële opzegging van het desbetreffende kantoor hebben ontvangen, vragen wij u daarom een opzegbrief op briefpapier te versturen en te voorzien van een handtekening. Deze mag u aangetekend per post naar onderstaande adres, maar ook per mail aan ons verzenden ( [naam emailadres] ). In het laatste geval, dient u zelf te controleren of u een bevestiging van de opzegging van ons ontvangt, zodat u er zeker van bent dat uw opzegging in goede orde is ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert, na een vermeerdering van de eis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de onder 2.2 genoemde facturen van in totaal € 1.089,00, te vermeerderen met rente, tot en met 9 april 2020 een bedrag van € 159,15, en € 122,51 aan buitengerechtelijke kosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan de overeenkomst opgezegd te hebben. Met ingang van 2015 stelde de NOvA het Modelkantoorhandboek gratis aan haar leden ter beschikking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [eiseres] en [gedaagde] de vordering en het verweer daartegen (verder) onderbouwen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] af. Van een overeenkomst op grond waarvan [gedaagde] de onder 2.2 genoemde facturen zou moeten betalen is namelijk geen sprake meer. Het kan zijn dat [eiseres] in september 2015 de opzegging van [gedaagde] niet ontvangen heeft, maar in de onder 2.3 genoemde e-mail van [gedaagde] van 3 februari 2016, waarop dezelfde dag nog door [eiseres] is gereageerd (zie 2.4), had [eiseres] de opzegging van het abonnement tegen de eerst mogelijke datum kunnen en moeten lezen. Het enkele feit dat er na 3 februari 2016 geen volgens de regels opgestelde en verstuurde opzeggingsbrief meer is gekomen, maakt dit niet anders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [eiseres] is de in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure. Of er, zoals [gedaagde] vordert, aanleiding bestaat voor een veroordeling tot betaling van de volledige proceskosten kan in het midden blijven. Die vordering is namelijk alleen al niet toewijsbaar omdat [gedaagde] niet aangeeft hoe hoog die kosten dan zijn. Daarom worden de kosten op de gebruikelijke manier vastgesteld. Omdat [gedaagde] in de conclusie van haar conclusie van antwoord niet met zoveel worden rente over de proceskosten vordert, is geen rente over de proceskosten toewijsbaar.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Omdat hoger beroep gelet op het financiële belang van deze zaak niet mogelijk is, heeft uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling zoals [gedaagde] vordert geen zin.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering van [eiseres] af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 180,00 per punt).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>686</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>