<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:8974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-12T14:10:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:2019:545</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 18/5124</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:8974">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:8974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-19T07:55:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:8974 Rechtbank Rotterdam , 28-01-2019 / ROT 18/5124</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:8974:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Onbevoegd, de uitspraak van 5 juni 2018 betreft geen schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan </para>
        <para>en de rechtbank is daarom op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:8974:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team Bestuursrecht 3</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 18/5124</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiser] , te Rotterdam, eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Procesverloop</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak van 5 juni 2018 het verzet van eiser, tegen de beslissing van de voorzitter van verweerder van de kamer van 28 februari 2018, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 juli 2018 heeft eiser digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland tegen de uitspraak van verweerder van 5 juni 2018. De rechtbank Gelderland heeft het beroep ter verdere behandeling doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland, omdat de president van de rechtbank Gelderland voorzitter is van de Kamer voor het Notariaat en omdat de beslissing is voorgezeten door een rechter ( [naam 1] ) van de rechtbank Gelderland. Vervolgens heeft rechtbank Midden-Nederland het beroepschrift weer teruggestuurd naar de rechtbank Gelderland, omdat [naam 2] betrokken is bij het beroep en werkzaam is binnen de rechtbank Midden-Nederland. Rechtbank Gelderland heeft het beroepschrift naar rechtbank Zwolle gestuurd, omdat rechtbank Midden-Nederland het beroepschrift ten onrechte naar rechtbank Gelderland heeft gestuurd. Uiteindelijk heeft de rechtbank Zwolle het beroepschrift aan deze rechtbank doorgezonden, alwaar het op 28 september 2018 is ontvangen. <?linebreak?></para>
      <para>Overwegingen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang bezien met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, slechts bevoegd is kennis te nemen van het beroep indien dit is gericht tegen een besluit, dus een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan. De uitspraak van 5 juni 2018 is niet als zodanig aan te merken. </para>
    <para />
    <para>2. In artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is immers onder meer bepaald dat onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, niet als bestuursorgaan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder een krachtens de wet ingesteld orgaan belast met rechtspraak als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Uit artikel 113, tweede lid, van de Grondwet volgt dat tuchtrechtspraak die door de overheid wordt ingesteld bij wet wordt geregeld.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De tuchtrechtspraak over het notarisambt is geregeld in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Op grond van artikel 94, eerste lid, van die wet wordt de tuchtrechtspraak in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers voor het notariaat. Hieruit volgt dat verweerder een krachtens de wet ingesteld orgaan is belast met tuchtrechtspraak. De rechtbank wijst daarbij nog op de wetsgeschiedenis van de Wna (Kamerstukken II 1995-1996, 23 706, nr. 7, p.15).</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Awb. De uitspraak van 5 juni 2018 is aldus niet afkomstig van een bestuursorgaan, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Hetgeen eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.<?linebreak?></para>
      <para>4. De bestuursrechter is daarom kennelijk onbevoegd, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. </para>
      <para />
      <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart zich onbevoegd;<?linebreak?>- gelast de griffier het door eiser betaalde griffierecht van € 170,- aan hem terug te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>L. van Zuijlekom, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>