<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:7450</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-20T12:19:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/994504-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:7450">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:7450</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-20T12:18:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:7450 Rechtbank Rotterdam , 12-09-2019 / 10/994504-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:7450:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EVOA-zaak. Curator wordt vervolgd voor het laten overbrengen van basisolie, bestemd voor de productie van scheepsbrandstof. In haar uitspraak van 19 november 2014 (201311554/1/A4) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat deze basisolie geen afvalstof is. De rechtbank onderkent dat de uitspraak van de Afdeling betrekking had op het gebruik van de basisolie als grondstof voor smeerolie, terwijl in het onderhavige geval de basisolie is afgezet als grondstof voor brandstof. De rechtbank vindt dat dit enkele feit niet kan leiden tot een andere conclusie dan die de Afdeling in de bovengenoemde uitspraak en de rechtbank Rotterdam in zijn vonnis van 8 maart 2016 (parketnummer: 10/994558-16) heeft getrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:7450:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/994504-17</para>
      <para>Datum uitspraak: 12 september 2019</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , </para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (Groningen),</para>
      <para>raadsman mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para>Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2019.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Eis officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bewezenverklaring van het ten laste gelegde;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 10.000,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijswaardering</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>De verdachte heeft als curator van [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) basisolie laten overbrengen naar [naam bedrijf 2] , gevestigd te [vestigingsplaats bedrijf 2] , Duitsland (hierna te noemen: [naam bedrijf 2] ). Deze basisolie was bestemd voor de productie van scheepsbrandstof en moet worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EG-verordering nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van Afvalstoffen (hierna: EVOA). De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 november 2014, waarin is geoordeeld dat de basisolie geen afvalstof is, is niet van toepassing, omdat in dat geval de basisolie werd afgezet als grondstof voor smeerolie en niet voor de productie van brandstof. Nu de basisolie een afvalstof is als bedoeld in de EVOA, is een kennisgeving aan en toestemming van het bevoegd gezag vereist. Deze ontbreken, zodat het ten laste gelegde kan worden bewezen.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
          </para>
          <para>De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de basisolie, die op 26 maart 2015 door [naam bedrijf 1] , waar de verdachte op dat moment curator van was, naar Duitsland is overgebracht, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling heeft zij geoordeeld dat basisolie, het product dat ontstaat na bewerking van [naam bedrijf 1] van afgewerkte olie, geen afvalstof is. De Afdeling heeft, voor zover in dit kader relevant, overwogen:</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97, Arco Chemie Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2000:318, en het arrest van 18 april 2002, C-9/00, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232). </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij beantwoording van deze vraag is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant (zie het arrest van 18 december 2007, C-263/05, Commissie/ltalië, ECLI:EU:C:2007:808, punt 32, en het arrest van 24 juni 2008, C-188/07, Commune de Mesquer, ECLI:EU:C:2008:359, punt 53). Het gedrag van de houder is relevant, omdat daaruit kan worden afgeleid of de houder zich ontdoet, of voornemens is zich te ontdoen, van een stof als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">In dit verband verdient volgens het Hof bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Als dit laatste het geval is, bestaat een risico dat de houder zich van de stof ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof onbeheerd achter te laten of ongecontroleerd te lozen of te verwijderen. Dergelijke voorwerpen of stoffen vallen onder het begrip afvalstof en zijn daarom onderworpen aan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepalingen van de Kaderrichtlijn (arrest van 12 december 2013, C-241/12 en C-242/12, Shell Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2013:821, punt 42).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De afgewerkte olie na bewerking bij [naam bedrijf 1] is geen last waarvan [naam bedrijf 1] voornemens is zich te ontdoen. [naam bedrijf 1] bewerkt de afgewerkte olie juist welbewust om deze onder economisch gunstige omstandigheden te verhandelen. Het risico dat [naam bedrijf 1] zich van de afgewerkte olie zal ontdoen door deze stof onbeheerd achter te laten, ongecontroleerd te lozen of te verwijderen, moet dan ook als verwaarloosbaar worden aangemerkt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval is de Afdeling van oordeel dat de afgewerkte olie na bewerking bij [naam bedrijf 1] niet kan worden aangemerkt als een stof waarvan [naam bedrijf 1] zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn. De bij [naam bedrijf 1] geproduceerde olie is daarom geen afvalstof. De staatssecretaris heeft zijn bezwaar ten onrechte gebaseerd op de opvatting dat deze bij [naam bedrijf 1] geproduceerde olie wel een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">afvalstof is. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de Afdeling is de rechtbank, op de gronden zoals door de Afdeling opgenomen en hiervoor weergegeven, van oordeel dat de door [naam bedrijf 1] bewerkte olie, geen afvalstof is. [naam bedrijf 1] heeft de afgewerkte olie bewerkt om de basisolie die dit bewerken oplevert, als product zijnde een grondstof voor brandstof te verkopen aan [naam bedrijf 2] . De rechtbank heeft gezien dat de uitspraak van de Afdeling betrekking heeft op het gebruik van de basisolie als grondstof voor smeerolie. In het onderhavige geval is de basisolie afgezet als grondstof voor brandstof. De rechtbank vindt dat dit enkele feit niet kan leiden tot een andere conclusie dan die de Afdeling in de bovengenoemde uitspraak als ook de rechtbank Rotterdam in zijn vonnis van 8 maart 2016 heeft getrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit brengt met zich dat de overbrenging van de basisolie niet valt onder het toepassingsbereik van de EVOA, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
          </para>
          <para>Het aan de verdachte ten laste gelegde is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Bijlagen</title>
    <para>De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. F. van Buchem, voorzitter,</para>
      <para>en mrs. I.M.A. Hinfelaar en E.M. Havik, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tekst tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij, in maart 2015 te Farmsum, gemeente Delfzijl, in elk geval in Nederland, opzettelijk afvalstoffen, te weten basisolie (GOC Lube A), heeft overgebracht van Nederland naar Duitsland (Hamburg) zonder kennisgeving en/of toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit(en);</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>